Het Lidmaatschap

Hier volgt een experiment. Ik wil een boek schrijven, een pretentieuze onderneming voor een nog veel pretentieuzer boek. Tot dusverre bestaat de tekst uit een verzameling losse paragrafen in redelijk willekeurige volgorde. Het zal vele jaren duren voor de tekst van Het Lidmaatschap klaar is.

Eerste bijdrage: 24 november 2008
Meest recente bijdrage: 9 augustus 2010
Paragrafen:
  • Inleiding
  • De quintessens
  • Terloopse opmerkingen
  • Voetbal
  • Voorbeelden
  • Recepties
  • Een anecdote
  • De schoolklas
  • De bronnen van groepsvorming
  • De Mensentuin van Desmond Morris
  • Groepsvormingsdrift
  • Het boek Spraakmakers van Grard Westendorp
  • Amerika
  • Recessie
  • Bewijs
  • Woorden
  • Kleding
  • Lidmaatschap
  • Het individu
  • Ras
  • Tinkebell
  • Geestelijke gezondheid en lidmaatschap
  • Spiegelneuronen
  • Tomasello
  • Bacteriën
  • Voor en na
  • Centripetaal en centrifugaal
  • Ayn Rand
  • Ethiek
  • De verwoesting van ecosystemen

  • Inleiding
    naar boven
    Deze jonge vrouw, een soldaat in het Israëlische leger, illustreert het lidmaatschap op overduidelijke wijze. Ze is soldaat, dus lid van het leger. Dat betekent dat zij zich onderwerpt aan de regels van deze groep. Zij maakt haar lidmaatschap kenbaar maakt door het dragen van een uniform. Uniform = één vorm: alle leden van de groep dragen dezelfde kleren en maken zich zo identiek aan elkaar. De individualiteit wordt ondergeschikt aan het lidmaatschap. De groep, het leger, heeft een sterke leiderschaps-structuur, waardoor loyaliteit afgedwongen kan worden. De groep heeft als specifieke taak de belangen te verdedigen van een grotere groep, het eigen volk, en dat door middel van geweld. Het geweld richt zich op de vijand, andere mensen die niet individueel maar alleen als groep vijand zijn. Dat geweld de grondslag is van het groepslidmaatschap wordt duidelijk door het wapen dat zij draagt en de pose die zij aanneemt. Het betekent dat de jonge vrouw functioneert in een structuur die al bestond in de tijd van en onderdeel was van de cultuur van de jager/verzamelaars. Er is dan nog het anachronisme dat het een vrouwelijke soldaat is. Dat klopt (waarschijnlijk) juist niet met de cultuur van de jager/verzamelaar. De natuurlijke drager van de voortplanting legt die taak naast zich neer om die van de strijd, typisch een mannelijke bezigheid, op zich te nemen. De vrouw draagt een speelgoedbeest. Ieder mens weet dat dit voornamelijk van textiel vervaardigde voorwerp een (niet bestaand) beest verbeeldt en begrijpt ook dat dit denkbeeldige beest voor de soldaat de wellicht belangrijke rol van gezelschap, kameraad, groepsgenoot vervult. De vrouw creëert haar eigen kleine groep, een extra veiligheid. Uit de begeleidende tekst (in de weekendbijlage van NRC/Handelsblad) blijkt dat de vrouw haar wapen WEL en het speelgoedbeest GEEN naam heeft gegeven. De personificatie van het wapen is dus sterker aLS die van het speelgoedbeest. Het benadrukt de gewelddadigheid van de vrouw.
    Het lidmaatschap gebruikt als uitgangspunt het naar mijn idee algemeen wetenschappelijk geaccepteerde beeld dat Tomasello kort en krachtig zó formuleert:
    The changes we see in human societies beginning with the advent of agriculture and cities are not due, on anyone's account, to any kind of biological adaptation. The changes would seem to be sociological only, given their recency and the fact that by this time modern humans were already spread out all over the globe (so that a species-wide biological change was higly unlikely). What this means is that most, if not all, of the highly complex forms of cooperation in modern industrial societies - from the United Nations to credit card purchases over the Internet - are built primarily on cooperative skills and motivations biologically evolved for small-group interactions.
    De mens nu is een jager/verzamelaar, die leeft in een omgeving die door eigen handelen zo snel is veranderd dat de mens er niet genetisch op is aangepast. Uit dit besef kunnen regels afgeleid worden, die behulpzaam zijn bij het inrichten van de maatschappij. Deze regels overstijgen de regels zoals deze worden afgeleid uit de grote godsdiensten, filosofische beschouwingen en politieke keuzes. Die regels komen voort uit de "biological adaptation" die er WEL is, die maakte dat de jager/verzamelaar zich samen met anderen kon handhaven.

    De ideeën hier gepresenteerd zijn behoorlijk voor de hand liggend. Inmiddels blijkt dat al uitermate verstandig geschreven is over hetzelfde onderwerp, lang geleden door Desmond Morris in "De Mensentuin".
    Als andere inspiratiebronnen gebruik ik vooral boeken voor de leek geschreven door deskundigen die daarnaast veel wetenschappelijke publicaties op hun naam hebben staan. Als eerste moet ik echter een boekje noemen dat ik als kind las, dat toen veel indrukte maakt en voor altijd mijn wereldbeeld heeft beïnvloed. Ik heb het per slot van rekening weer via de tweedehandsboekhandel teruggevonden.
  • "Patava de holenjongen" van C. Wilkeshuis
    En dan verder:
  • de boeken van mensapengedragsonderzoeker Frans de Waal
  • prachtig artikel over evolutionaire psychologie door Leda Cosmides and John Tooby
  • "Gray's Anatomie" van John Gray
  • "De naakte aap" van Desmond Morris, al heel oud
  • "Spraakmakers, van pratende aap naar bewust denkende mens " van Grard Westendorp
  • "De eerste mensen - Ontstaan en ontwikkeling van de mensheid tot 10.000 jaar voor Christus.", een populair wetenschappelijke uitgave van Natuur & Techniek
  • "Dageraad, hoe taal de mens maakte" van Rik Smits
  • "Het spiegelende brein, over inlevingsvermogen, imitatiegedrag en spiegelneuronen" van Marco Iacobini.
  • "Why we cooperate" van Michael Tomasello
  • "Mothers and others" van Sarah Blaffer Hrdy

  • Uit deze opsomming blijkt dat de onderbouwing van mijn ideeën zwak is. Wat ik schrijf is dus speculatief maar ik ga wel te rade bij de wetenschap met het idee dat enige onderbouwing van de speculaties bestaat.

    De quintessens
    naar boven
    Laat ik een uiterst voorzichtige poging met veel voorbehoud doen om de quintessens van dit schrijfsel te formuleren.
    Er zijn drie mechanismen te onderscheiden die het gedrag tussen soortgenoten sturen. Het eerste mechanisme: de voortplantingsdrift. Het tweede mechanisme: op zeker moment (wanneer, bij welke dieren?) werd naast de voortplantingsdrift de zorg voor het nageslacht essentieel voor de instandhouding van de soort. Dat gaat van het begraven van de eieren door zeeschildpadden tot de borstvoeding bij de mens. Het derde mechanisme: op zeker moment (wanneer, bij welke dieren?) was gezamenlijkheid, groepsvorming, essentieel voor de instandhouding van de soort: kudden gnoes in Serengeti, zwermende spreeuwen in het najaar voor de trek, een familie gorilla's in het oerwoud. De laatste twee mechanismen zijn misschien niet of minder sterk aanwezig bij sommige diersoorten. De predators, de roofdieren, de diersoorten in de top van de voedselketen begruiken (soms?) juist de eenzaamheid voor de jacht, de snoek stilstaand in het water, en kennen dus minder of geen neiging zich bij anderen in groepn aan te sluiten.

    Zeker is op enig moment het concept moederliefde, het tweede mechanisme, ontstaan. Bij de moederliefde horen gedragsregels die de moeder en het kind ingebakken kregen om te waarborgen dat de soort bleef bestaan. Op overeenkomstige manier is er, het derde mechanisme, een soort empathie ontstaan voor de groepsgenoot en daarbij hoorden ook zekere gedragsregels. Groepsgenoot of soortgenoot? De opwinding van paarden in de wei die een onbekend paard voorbij zien komen wijst erop dat bij deze dieren in ieder geval sprake is van soortgenoot-empathie. Dat betekent dat bij paarden, maar dus ook bij spreeuwen en gnoes het idividuele beest in staat is vast te stellen dat er beesten zijn zoals hij/zij. Dat is het soortgenootgevoel. Maken paarden een onderscheid tussen leden van de eigen groep en die van andere paarden? Ja, EL vertelde van de plaats die nieuwelingen zich moeten verwerven in de kleine groep die de wei moeten delen. Bij de in groepen levende en hoger ontwikkelde chimpansees is er een groepsgenoot-empathie. Dat betekent dat bij sommige diersoorten het individuele beest in staat is soortgenoten, en niet alleen de moeder, als individu te herkennen en er een relatie mee te onderhouden.
    (Er zijn van die aardige natuurfilms waarin enthousiast verteld wordt over het vermogen van de pinguins om in grote groepen de eigen moeder of het eigen kind te herkennen: het tweede mechanisme. De enorme aantallen dicht op elkaar staande koningpinguins in de poolwinter vormen heel duidelijk een groep: het derde mechanisme. De individuele pinguin kan dus identificeren: "mama", "pinguin maar niet mama". Is hij in staat "oom Piet" te identificeren, met andere woorden, herkent hij andere individuele pinguins? Ik weet het niet. Maar dit is wel het geval in een groep chimpansees.)
    Bij de mens zijn de gevoelens behorend bij de twee mechanismen versmolten tot een kluwen van altruïsme. (Daniël Stern: mensen ontwikkelen zich in een soep van gevoelens en verlangens van anderen.) Dat leidt tot gedrag dat niet alleen de instandhouding en het welbevinden van het individu maar ook dat van de anderen wil bevorderen. Het eindresultaat is dat we gedwongen door onze afkomst en tot behoud van de soort op de één of andere manier in meer of mindere mate aardig proberen te zijn voor de mensen om ons heen.

    In de ontwikkeling van de mens kunnen we twee tijdstippen - hele brede stippen, overgangen van één staat naar een andere die op de ene plaats anders en op een ander moment is verlopen dan op een andere plek - vermoeden: (1) tweehonderdduizend jaar terug en (2) tienduizend jaar terug. Tweehonderduizend jaar geleden was de homo sapiens "klaar", uitgeëvolueerd. Vanaf die tijd bestond homo sapiëns, nemen we nu maar even aan, een diersoort waartoe wij ook behoren. Laat ik dit voor de duidelijkheid vergelijken met de Afrikaanse olifant. De diersoort Afrikaanse olifant bestaat circa ... millioen jaar. Sinds die tijd is de soort niet meer verandert. De individuele olifant nu lijkt heel veel op de individuele olifant .... millioen jaar geleden. Ook Sarah Blaffer Hrdy onderscheidt overgangen in de menselijke evolutie. Naast de recente invoering van de landbouw spreekt zij over emotioneel moderne mensen of mensachtigen, ontstaan veel langer terug dan tweehonderdduizend jaar terug, anatomisch moderne mensen, tweehonderdduizend jaar oud en gedragsmatig moderne mensen. Dat laatste zou samenhangen met het ontstaan van de taal.
    Sinds circa tweehonderdduizend jaar geleden is de mens niet meer in belangrijke mate geëvolueerd. Hier kan onmiddellijk de tegenwerping worden gemaakt dat sindsdien zich nog wel de rassen hebben gevormd. Het blanke ras is immers ontstaan toen onze voorouders Afrika uit trok, zo'n 60 000 ? jaar geleden. De mens was honderdduizenden jaren een jager/verzamelaar. De organisatievorm die het leven van de jager/verzamelaar waarschijnlijk voor vele tienduizenden, misschien honderdduizenden jaren heeft bepaald is de clan. De grootte van de groep waarbinnen de mens functioneerde, werd gedicteerd door enkele uiterst zakelijke factoren, de voedselvoorziening en de veiligheid. Om ieder lid van de clan regelmatig van voedsel te kunnen voorzien, moest de clan niet al te groot en niet al te klein zijn. Werd de clan te groot, dan dreigde te snel uitputting van de voedselbronnen. Was de clan te klein, dan waren te weinig clanleden beschikbaar voor de verschillende taken, dan waren de bedreigingen door dieren moeilijk te keren en kwam de reproductie in gevaar. Over deze clangrootte zegt Wikipedia en laat ik voor het gemak aannemen dat deze de op dit moment aanvaarde kennis weergeeft:
    Individual band societies tend to be small in number (10-30 individuals), but these may gather together seasonally to temporarily form a larger group (100 or more) when resources are abundant.
    Natuurlijk zal dit getal gevarieerd hebben met de klimaten en de diverse ontwikkelingsstadia van de jager/verzamelaar. De geschiedkundige site Timemaps zegt het zo:
    The ancient hunter gatherers lived in small groups, normally of about ten or twelve adults plus children. They were regularly on the move, searching for nuts, berries and other plants (which usually provided most of their nutrition) and following the wild animals which the males hunted for meat. Each group had a large “territory” over which it roamed – large, because only a small proportion of the plants in any given environment were suitable for people to eat, and these came into fruit at different times of the year meaning a large area of land was needed to meet the food needs of a small number of people. The group’s territory had regular places where it stopped for a while. These might be caves or areas of high or level ground giving them a good all-round vision of approaching animals (and hostile neighbours), and where they would build a temporary encampment. These family groups belonged to larger “clans” of 50 to 100 adults, spread over a wide area and whose members regarded themselves as a “people”, descended from a common ancestor.
    De clanleden beschouwden slechts elkaar als mensen. Alleen tegenover de mede-clanleden golden gedragsregels horend bij mede-menselijkheid. Leden van andere clans werden vooral als vijanden beschouwd, omdat deze een bedreiging voor de voedselvoorziening vormden. Het was niet alleen vijandschap, want voor het behoud van de soort moest "interclan" getrouwd worden.

    De mens wijkt, ook in zijn gedrag af van de mensapen, de dichtstbijzijnde dieren: meer hersenen, meer intelligentie, maar ook meer empathie, meer altruïsme, groter vermogen tot samenwerken. Het onderzoek van onder andere Tomasello toont het overduidelijk aan. Waarom is dat ontstaan?
    Sarah Blaffer Hrdy (in "Mothers and others") beschrijft de gangbare opvatting: sterke banden binnen de groep zijn noodzakelijk wegens de vijandigheid tussen groepen. Terecht zegt zij dat dan nog niet duidelijk is waarom dit bij de mens dan juist zo veel verder is ontwikkeld dan bij de mensapen. Zijzelf werkt de hypothese uit dat de kleintjes van die vroege mensachtigen door gewijzigde omstandigheden aangewezen raakten op meer verzorgers dan hun moeder alleen en dat die afhankelijkheid leidde tot een selectiedruk ten gunste van individuen die er goed in waren de geestesgesteldheid van anderen aan te voelen en in te schatten van wie ze hulp konden verwachten. Dit leidde dus tot emotioneel moderne mensachtigen, een ontwikkeling die plaats vond voor, misschien wel heel lang voor het ontstaan van de moderne mens circa tweehonderdduizend jaar geleden.

    Ik ben op glad ijs en pretentieus, maar vooruit: ik denk het beter te weten. Evolutionair zijn er in de laatste 6, 7 millioen jaar een groot aantal experimenten geweest om van de onbekende voorouder te komen tot zulke creaturen als de chimpansee en de mens. De uit de bomen neerdalende mens kreeg onder andere benen om te lopen en intelligentie om z'n prooi te vlug af te zijn. Hier de gedachtensprong. De intelligentie leidde tot het individueel experimenteren met nieuw, afwijkend gedrag, tot een uiteen waaieren van gedragsvormen. Individuele mensachtigen waren veel beter dan individuele mensapen in staat zelf nieuw gedrag, nieuwe activiteiten, te creeëren. Denk aan het veel besproken gereedschapsgebruik bij chimpansees. Het gebruik van stokjes om mieren te vangen leert de jongere chimpansee van de oudere. Het is cultuur. Maar er moet een eerste chimpansee zijn die door serendipiteit en intelligentie tot het gebruik van de stokjes overgaat. Deze eerste stokjes-chimp toonde afwijkend nieuw gedrag.
    Zo gebeurde dat ook bij de mensachtigen in de afgelopen millioenen jaren maar dan op veel grotere schaal. Zijn intelligentie leverde die mogelijkheid. Dit experimenteergedrag van velerlei aard kon alleen bijdragen aan het behoud van de soort als het overgenomen werd door de soortgenoten. Alleen de mensachtigen met veel spiegelneuronen (zo zullen we het maar even simpel formuleren), de empathische mensachtige kon profiteren van de toegenomen intelligentie. Alleen dan kon cultuur ontstaan. Voor evolutionair succes was daarom noodzakelijk dat dit experimenteergedrag vergezeld ging van een sterke neiging tot imitatie en dus samenhang van de groep. Die individuen van de voorloper van homo sapiens die genetisch geprogrammeerd werden zich sociaal te gedragen hadden grotere overlevingskans. De slimme asociale apensoorten die te weinig groepsgedrag toonden, hebben het loodje gelegd. De individuele slimheid leverde minder bijdrage aan het behoud van de soort. Alleen intelligente mensachtigen waarvan de individuen voldoende groepssamenhang vertoonden, konden overleven. Dit leidde tenslotte tot de mens. (Deze hypothese voor het ontstaan van de groepssamenhang is niet voorwaardelijk voor de rest van mijn gedachtengang - het kan anders zijn gegaan.)
    De sociale eigenschap van deze mensachtige, ouder dus dan tweehonderdduizend jaar, maar voortlevend in ons, noem ik groepsdrift. De groepsdrift omvat een heel samenstel van eigenschappen: altruïsme, empathie, imitatiedrang. Omdat dit begrip het centrale begrip is voor dit schrijfsel, schrijf ik het nog een keer, groot en centraal:

    groepsdrift


    De groepsdrift drijft de mens ertoe zich aan te sluiten bij soortgenoten. Maar het is meer dan dat. Het is van fundamenteler niveau dan zo gedefiniëerd. De individuele mens functioneert bij de gratie van zijn medemensen, is dus voor een groot deel van zijn denken in beslag genomen door de relatie met anderen, bestaat op grond van de relatie met anderen, definiëert zichzelf met behulp van zijn relatie met anderen, ontleent zijn angsten en vreugden aan de relatie met anderen. Het lijkt een open deur, dit definiëren van de groepsdrift. De mens is een groepsdier, is een sociaal wezen, dat is al duizendvoudig geconstateerd. Wat ik beweer is absoluut geen verrassing, niet iets dat uitgelegd hoeft te worden, iets moeilijks dat slechts met veel intellectuele inspanning kan worden begrepen. Dat het toch noodzakelijk is deze groepsdrift te definiëren, te formuleren en te omschrijven is het fenomenale gewicht, de omvang, de allesbepalende invloed van deze drift, een invloed die verder gaat dan zo op het eerste gezicht lijkt, een invloed die verder gaat dan het gewicht dat traditioneel aan groepsprocessen wordt toegeschreven.
    De groepsdrift is qua importantie, qua belang te vergelijken met de sexuele drift en de voedseldrift. De groepsdrift hoort in de piramide van Maslow maar dan behoorlijk onderin. De groepsdrift gaat verder dan die bij beesten, zie Tomasello, en heeft verdergaande consequenties, consequenties op alle mogelijke niveaus en uithoeken van de maatschappij. Het is dus een drang waarmee een ieder in meer of minder mate is uitgerust, zoals de drang tot eten of tot sex. En net zoals deze aandriften is het essentieel voor het functioneren van de mens, individueel en maatschappij. De groepsdrift vormt de grondslag voor veel gedrag en dientengevolge voor veel maatschappelijke structuren.

    Zoals de lengtes van mensen variëert, zo kan de groepsdrift onder mensen variëren. Enkele speculaties: (1) Is te geringe interactie tussen groepsleden, te geringe groepsdrift, de bigbrainy Neanderthaler fataal geworden? (2) De autisten zijn degenen met relatief geringe groepsdrift. Zijn zij noodzakelijk omdat daar de individuele intelligentie ongebreideld z'n werk kan doen?

    Het belang van de groepsdrift kan ik pas begrijpen, inschatten, inzien, waarderen als ik me bedenk dat de mens een jager/verzamelaar is. De jager/verzamelaar leefde in clans. De samenhang tussen de clanleden was groter dan die tussen de leden van een groep chimpansees. De intelligentie van de jager/verzamelaar in combinatie met de groepsdrift maakte het mogelijk dat een uitgebreide cultuur ontstond. Daarbij is het ontstaan van spraak waarschijnlijk de meest belangrijke. Daarnaast was er een stortvloed van andere culturele verworvenheden, gereedschap om te jagen en te transporteren, het gebruik van kleding, muziekinstrumenten, huisdieren, ontwikkeling van primitieve godsdiensten, enzovoorts, enzovoorts. Ik moet benadrukken de toevoeging in de vorige zin: in combinatie met de groepsdrift. Zonder deze groepsdrift zou deze culturele ontwikkeling niet mogelijk zijn geweest. Het woord cultuur duidt op gezamenlijkheid op kennis, gedragingen, structuren, enzovoorts die gedeeld worden door velen, waar velen aan deelnemen. Cultuur is a priori een groepsproces.

    Ik schreef "intelligentie in combinatie met de groepsdrift". Hier komen de wetenschappen bij elkaar. De hersenonderzoekers die de spiegelneuronen hebben ontdekt, toonden aan dat de groepsdrift zijn zetel heeft in onze intelligentie. De spiegelneuronen zijn wellicht dat deel van de intelligentie die de groepsdrift op gang brengt en onderhoudt, dat deel van ons brein dat onze cultuur mogelijk maakt, zie Iacobini. Er is nog wel een probleem: nog (sic) niet is aangetoond dat de spiegelneuronenstructuur duidelijk verschilt van die van andere dieren. Dat is wel een voorwaarde om de koppeling 'spiegelneuronen leiden tot groepsdrift' - 'de groepsdrift bij mensen is groter dan bij dieren' te kunnen onderbouwen.
    De clan was zowel het gezin als de familie als de maatschappij. De loyaliteiten waren, veronderstel ik, als in het huidige gezin. In het normale gezin zijn de rechten van ieder lid gelijk en worden de rechten als automatisch door alle gezinsleden gerespecteerd. Iedereen krijgt het juiste portie vlees, zonder strijd. Iedereen heeft een bed van dezelfde kwaliteit. Op vakantie krijgt iedereen een stel ski's ter beschikking, zo hij/zij dat wil. In het restaurant tracteert de vader niet op de maaltijd, hij betaalt de maaltijd voor iedereen. Zo ongeveer is het in de clan gegaan. En zeker waren er net zo veel spanningen als nu in een gezin zich kunnen voordoen. Er was bij tijd en wijle misschien zelfs moord en doodslag. Maar er waren geen vreemden, er was geen geld, geen handel. Incidenteel waren er ontmoetingen met leden van andere clans. Maar andere clans vormden een bedreiging voor de voedselvoorziening en wellicht ook wegens het risico van het kapen van vrouwen.

    Toen gebeurde het. De landbouw werd ontdekt. De mens was nog steeds dezelfde als 190 000 (liever afgerond tweehonderdduizend) jaar daarvoor maar het leven was danig veranderd. De landbouw leidde tot vaste vestigingsplaatsen, tot beslag op en bezit van land en tot bevolkingsgroei. Dat betekende dat afstammelingen van het clanleven tot de ontdekking kwamen dat er meer mensen waren. Veel, veel vaker waren er ontmoetingen met anderen, mensen buiten de eigen clan. Maar op welke manier moesten niet-clanleden worden tegemoetgetreden? Het beschikbare gedragsrepertoire was niet voldoende. Niet altijd kon de buren het hoofd worden afgehakt. Het was noodzakelijk tot één of andere vorm van coöperatie te komen. De groepsdrift leverde het gereedschap daarvoor.
    In een interview te vinden bij Google zegt Tomasello het zo:
    One of the central things about human evolution that explains a lot of things that happen in the world is that our abilities and our motivations for cooperation evolved in small groups. They evolved to interact with people that you knew well and everything you did was observed by people that you had to interact with tomorrow. You hardly ever encountered anyone who was a stranger. When you encountered strangers they were from another group and you basically kept your distance. The cooperation is for others in the group that look like me and talk like me. Since agriculture we have cities with people from all different groups and background interacting together and we have to learn to live together. Obviously all you have to do is to read the news anyday we have struggles doing that. It is difficult to do that. We don't trust people from other groups as much as we do people from our own group. .....
    One of the central facts about human evolution that explains many things is that biological evolution is relatively slow and cultural evolution is relatively fast. That explains why we are in cities and on television whereas some of our cognitive abilities are stil the same ones that we had when we lived in small groups.

    We hebben de laatste circa tienduizend jaar een samenleving gecreëerd die gebruik maakt van genetisch vastliggend groepsgedrag. Het is een culturele verworvenheid met achterblijvende genetische ontwikkeling. Een evolutionair bizarre en kwetsbare situatie. In de relatief korte tijd van tienduizend jaar zijn deze maatschappijtjes geëvolueerd tot onze maatschappij. Het is echter niet een in de menselijke genen vastgelegde evolutie maar een evolutie gebaseerd op cultuur. Een onwaarschijnlijk groot aantal maatschappelijke verschijnselen kan, denk ik, verklaard worden door deze te bezien als een culturele aanpassing op jager/verzamelaarsgedrag.
    Ik som op een aantal culturele verschijnselen die met het begrip groepsdrift begrepen kunnen worden: vijand - oorlog - kerk - handel - bedrijf - vereniging - dance party - carnaval - feest - vergadering - gezelschapsdame - democratie - roem - tv - sport - ethiek - opinies - mode - architectuur/huizen - geestelijke gezondheid

    Voetbal
    naar boven
    (Pas nadat ik deze paragraaf geschreven had, bleek me dat Desmond Morris over dit onderwerp het boek .... geschreven heeft. Ik heb het tot dusverre nog niet gelezen)
    Het thema van dit boek kan prachtig geïllustreerd worden met voetbal. Voetbal is een sport, vrijetijdsbesteding niet essentiëel voor het functioneren van onze maatschappij, zo lijkt het en zo heb ik altijd gedacht. Een voetbalwedstrijd is een strijd, een symbolische strijd, tussen twee gelijkwaardige groepen mannen (of vrouwen). De strijd is symbolisch omdat, afgezien van de salarissen van professionele spelers, de strijd niets oplevert. De strijd is symbolisch omdat voorafgaand aan de strijd alle mogelijke voorzorgen worden genomen om te waarborgen dat de strijdende partijen ongeveer gelijk in sterkte zijn. Via ingewikkelde structuren van verenigingen en de landelijke of internationale voetbalcompetitie wordt ervoor gezegd dat voetbalspelers tegenover elkaar staan die ongeveer van gelijke sterkte zijn. Verder zijn er nauwkeurig omschreven regels, zoals de regel dat de teams even groot moeten zijn en dat de strijd wordt beperkt in tijdsduur, die worden gehandhaafd door een boven de partijen geplaatste toezichthouder, de scheidsrechter.

    Bij het voetballen zijn er een aantal vanzelfsprekendheden die onderbelicht zijn. Het is de bedoeling dat de tegenpartij verliest. Verlies van de ene partij betekent winst voor de andere. Winst of verlies wordt uitsluitend bepaalt door de doelpunten. Het maken van doelpunten wordt gereguleerd door een aantal regels, geschreven en ongeschreven. De leden van de ene partij, de teamleden, hoeven niet met elkaar bevriend te zijn maar vertonen een zekere mate van loyaliteit tegenover elkaar. Zij helpen elkaar, bevorderen dat zij gezamenlijk de strijd winnen. De tegenstanders zijn allemaal in gelijke mate tegenstander. In het streven naar winst is het volgens de regels niet geoorloofd de tegenstander schade toe te brengen. Toch gebeurt het. Het toebrengen van schade, lichamelijke schade, wordt ook door vriend en vijand als staande praktijk geaccepteerd. Voortdurend worden de grenzen opgezocht van wat wel of niet volgens de regel mag. Iedereen vindt het vanzelfsprekend dat de medestander, de teamgenoot, ontzien wordt. De woede tegenover de teamgenoot die een domme fout heeft begaan, mag zeker niet leiden tot lichamelijke schade. Dat zou iedereen als wangedrag bestempelen. Wie tegenstander en wie teamgenoot is in informele voetbalwedstrijden, kinderen op een veldje, mannen op een zondagmiddag in het park, kan geheel willekeurig zijn. Simpel "poten" en kiezen is genoeg om een scheiding aan te brengen tussen de mensen die je tegen de schenen mag schoppen en diegenen bij wie je dat niet mag doen.

    Voetballen is een symbolische bezigheid. Symbool voor wat ???? Voetballen heeft slechts tot doel te beleven deel te zijn van een groep die een andere groep ontmoet en daarmee in botsing komt. Dat gevoel als groepslid deel te nemen aan een strijd, daar hebben wij mensen behoefte aan, omdat wij genetisch geprogrammeerd zijn in groepslidmaatschap. Wanneer vond dit genetisch programmeren plaats? Het is gebeurd voor, ver voor het ontstaan van de mens. Apen leven in groepen die elkaar beconcurreren en bij tijd en wijle elkaar bestrijden. Misschien zijn de wortels nog veel verder terug in de evolutie, in het samen optrekken van mieren en bijen, in de vorming van scholen sardientjes. Natuurlijk is te beargumenteren dat de sardientjes evolutionair voordeel hebben aan het zwemmen in groepen. Dat argument interesseert me niet. Het gaat erom dat ergens in dat kleine breintje van de sardien de kiem is gelegd voor het gevoel deelgenoot te zijn van een groep.

    De groep levert bescherming, ook voor de primitieve mens. En daarom is de groep net zo belangrijk, misschien zelfs belangrijker dan de partner. Daarom heeft de mens een niet te beteugelen aanvechting tot een groep te behoren. Dat groepsgevoel heeft vergaande consequenties voor het functioneren van de individuele jager/verzamelaar en het functioneren van de clan waartoe hij behoorde. Dat groepsgevoel heeft evenzo vergaande consequenties voor de moderne burger en de groep waartoe hij behoort of denkt te behoren. Die hypothese is de grondslag van dit boek. (En als dat niet waar is, is dit boek dus niet waar! Maar ondertussen blijkt Desmond Morris al in 1981 een boekje geschreven te hebben met de titel The Soccer Tribe dat waarschijnlijk uitgebreider hetzelfde schetst als hierboven)

    Terloopse opmerkingen
    naar boven
    Op deze plek staan kleine waarnemingen verzameld, waarnemingen al of niet uit de privé-sfeer, die mijn ideeën ondersteunen.
    I
    In NRC/H van 9 juli 2010 staat een recensie van "War" geschreven door Sebastian Junger. Een deel staat hieronder.
    Er staat een duidelijke en heldere illustratie van het verschijnsel "lidmaatschap" waarover ik elders op deze site schrijf.




    Voorbeelden
    naar boven
    Laat ik hier eens wat groepen noemen:
        voetbalelftal
        gezin
        familie
        buurt
        sportvereninging
        politieke partij
        politieke overtuiging
        natie
        vriendenkring
        orkest
        ziekenzaal
        koor
        rotary
        vergadering
        publiek
        bioscoopzaal vol mensen
        vakgenoten
        congres
        bus vakantiegangers
        klas
        militair peleton
        leger
        bedrijf
        mensheid
        fabriek
        maffia

    Nu volgt een opsomming van verschijnselen die begrepen kunnen worden uit onder andere de neiging groepen te vormen:
        mode
        industrie
        socialisme
        kunststromingen
        conformisme
        roem
        merken
        stadsvorming
        racisme
        grenscontròle
        materialisme
        

    Recepties
    naar boven
    Ik loop rond op een ontvangst, een feestje, een opening, een congres. De mensen staan en lopen. Er zijn gasten of bezoekers en er is bedienend personeel. De gasten staan te praten in groepjes van twee tot vijf personen. Dat zijn fysieke groepen, maar het zijn ook mentale groepen. Zo'n groepje vormt een eenheid. Binnen zo'n groep praat één persoon. Als een tweede gesprek ontstaat, als een tweede persoon gaat praten, breekt het groepje al snel op. De band tussen de groepsleden is die van de gedeelde conversatie. De conversatie is aan strenge regels onderworpen. De spreker toont duidelijk moeite zich verstaanbaar, helder en boeiend uit te drukken. De spreker vermijdt te lang te praten, te lang is niet erg lang. Het begrenst, maakt het dikwijls onmogelijk, een mededeling van enig belang te doen. Maar men dient het recht van de anderen te respecteren. Dat recht is het recht tot praten. De spreker kan enige verlenging van de spreektijd verkrijgen. De spreker moet daarvoor de belangstelling van de luisteraars in de gaten houden, moet boeiend zijn door de aard van zijn bijdrage, door humor of gruwel in zijn bijdrage toe te voegen, door te refereren naar de luisteraar of luisteraars. De luisteraar onderwerpt zich ook aan regels. Oogcontact is van belang. Hij toont zijn luisterende houding, knikt regelmatig en glimlacht op tijd. Voor mensen, die zich systematisch niet aan deze regels houden, dreigt de vorming van een negatief imago.Men kan zich uit de groep losbreken, maar dat moet op het juiste moment en met de juiste formulering gebeuren. "Je hebt volkomen gelijk. Ik haal nog even een glaasje drinken", is een uitstekende tekst.
    Een buitenstaander, dat is iemand die niet tot de groep behoort, is zich op grond van zijn fysieke positie bewust van zijn mentale positie: buitenstaander. Hij kan proberen deel te worden van de groep. Daarvoor moet hij zich min of meer fysiek in de groep dringen en dan een gepaste tekst uitspreken. Eigenlijk moet hij om positieve ontvangst in de groep vragen: "Ik kom er even bij staan." Meestal zullen de groepsleden de nieuweling welkom heten, zij geven toestemming. Maar ook hier kan veel niet, men dient niet in te breken in een tweegesprek dat duidelijk voor slechts die twee mensen is bestemd. Goed, men zal welwillend zijn maar het voelt niet prettig.
    Er gebeuren vreemde dingen als men zich niet aan regels houdt. Stel dat één van de mensen op de ontvangst zich tot één van de mensen van het bedienend personeel wendt met de opmerking: "Leuk u hier ook weer te zien. U was hier vorig jaar toch ook? Het is weer een heel interessant congres, vindt u ook niet?" Het meisje met de schaal hapjes zal vriendelijk knikken en zich snel uit de voeten maken. Heeft die man niet begrepen dat hij tot een andere groep behoort, zal zij denken. Juist dit soort vervreemdende situaties wordt gebruikt door cabaretiers en soortgelijke vrolijke mensen.

    Niet overal zullen dezelfde gedragsregels gelden. Plaats en tijd zijn zoals altijd van belang. In een ander land en/of een andere tijd gelden andere of afwijkende regels. De regels zijn dus cultureel bepaald. Cultureel betekent aangeleerd. Maar ik ben ervan overtuigd dat a priori onze gedragsgenen dit soort gedrag mogelijk maken.

    Vele jaren geleden heb ik mij een bepaald gedrag aangewend voor dit soort gelegenheden. Als ik niet als vanzelfsprekend in gesprek kom met bekenden, wacht ik af. Ik sluit me niet onaangekondigd bij een groepje conversanten aan. Ik wil de dreigende eenzaamheid niet oplossen door mij op te dringen naan een groep die mij wellicht niet wenst. Voer voor psychologen. Toch levert het aardige resultaten. Daar sta ik dan in een zaal, alleen, omringd door vrolijk kwetterende groepjes. Ik kijk om me heen. Nee, er staan geen andere mensen alleen te staren. Ik voel me ongemakkelijk, nee: eenzaam. Maar ik houd vol. En dan, soms duurt het wel lang, gebeurt er iets. Iemand stapt op mij af. En die persoon die WIL dat dus, misschien wel uit medelijden. Maar toch. Meestal is die persoon een vrouw - en dat moet nader besproken worden. Maar laat ik eerst vaststellen: het is onaangenaam om alleen te blijven in een menigte mensen die met elkaar staan te praten. Het veroorzaakt sterke gevoelens van eenzaamheid.

    Daarom moet het een tantaluskwelling zijn als alleenstaande naar bioscoop, concert of theatervoorstelling te gaan. Thuis is de alleenstaande zonder problemen alleen. Maar voor de aanvang van de voorstelling en in de pauze is de alleenstaande alleen staand terwijl anderen niet alleen staan. Hier is het op grond van onze conventies niet mogelijk zich aan te sluiten bij andere groepen en hier is de kans dat anderen je benaderen te verwaarlozen. Golven van eenzaamheid overspoelen je. Je hoort niet bij een groep.

    Een anecdote
    naar boven
    Ooit ging ik, alleen, een meerdaagse wandeling maken in Engeland. Op de boot voelde ik mij zo overweldigend eenzaam dat ik de neiging kreeg over de railing te springen. In Dover sliep ik een uiterst eenzame nacht in een volle slaapzaal met dubbele bedden in, wat toen nog heette, jeugdherberg. Na een dag wandelen door de North Downs belandde ik in een bed & breakfast in Canterbury. Na een bezoek aan de kathedraal kocht ik een kaartje voor een toneelvoorstelling. Tot mijn verbazing bevond ik mij 's avonds, gekleed in vakantiekleding, in een zaal vcl mensen in avondkleding: een galavoorstelling door een amateurtoneelgezelschap. De eerste pauze heb ik rond gedrenteld. De tweede pauze bleef ik zitten. Achterin de zaal stond iemand te zwaaien. Ik werd, bleek na enige tijd tot mijn stomme verbazing met handgebaren opgecommandeerd. Volstrekt alleen in het buitenland en dan iemand die op zo'n merkwaardige plek op zo'n merkwaardige manier kontakt zoekt. Even later stond ik te praten met een vrouwelijke officier van de politie die vroeger helikopterpiloot was geweest. De vriendelijke conversatie had verder geen consequenties. Wat moet een mens hier van denken? Een verklaring komt later.

    De schoolklas
    naar boven
    Laat ik nog een groep uit de rij groepen hierboven bespreken. Een schoolklas is een groep van 20 tot 30 kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd die gedurende hun schooltijd een jaar lang, soms zelfs een aantal jaren, gezamenlijk les krijgen. Aan het begin van het schooljaar treffen de kinderen elkaar en bestaat de groep uit een verzameling onafhankelijke personen. Maar al gauw blijkt de som der delen meer te zijn dan de afzonderlijke delen opgeteld. De klas krijgt zijn eigen natuur, karakter, eigenschappen. Er zijn leuke, onrustige en luie klassen, klassen waarbinnen de kinderen zich gelukkig voelen en opbloeien en klassen met inwendige strijd, controverses, conflicten en pesterijen.
    Ook hier is sprake van een leider: de leraar. Dat onvolwassenen geleid worden door een volwassene is een natuurlijke zaak. In principe is het leiderschap geen probleem, wordt de leiding geaccepteerd en wordt gedaan wat de leraar zegt. Natuurlijk komt hier het beeld voor ogen van de slechte leraar die geen orde kan houden. Toch is juist het merkwaardige dat de wanorde zich over het algemeen aan zeer strikte regels houdt. Zelden of nooit verlaat de hele klas het lokaal of verstopt zich integraal onder de banken. Het zou zo makkelijk kunnen zijn om een werkelijk slechte leraar het lesegeven volstrekt onmogelijk te maken. Maar zover komt het meestal niet. De algemeen geaccepteerde normen voor schoolgedrag beletten zulke uitwassen. Dat betekent dat de leerlingen zich er collectief van bewust zijn onderdeel te zijn van een andere, grotere groep, die van de schoolgemeenschap.
    Interessant is een verschijnsel dat optreedt met kinderen in de puberteit. Iedere school kent belhamels, raddraaiers, comotie veroorzakende types. In zo'n klas met zo'n belhamel zal de belhamel het gezag van de leraar aanvechten. Als een jonge chimpansee test hij in hoeverre hij de leiding over kan nemen. Daarin kan hij bij een zwakke leraar een eind komen.

    De bronnen van de groepsvorming
    naar boven



    uit wikipedia

    Ongeveer 7 miljoen jaar geleden splitsten de protomensen of hominiden zich af van de homonoïdenstamboom. De hominiden zijn de mensachtigen die behoren tot de groep hominoïden die naast de mensachtigen ook de mensapen omvat. (Definities van hominiden en hominoíden zijn niet overal hetzelfde.) De wat Grard Westendorp noemt de Vroege Mens was circa 1,20 meter groot, woog 30 à 40 kg en had dezelfde herseninhoud als de huidige chimpansee. Deze Vroege Mens kon rechtop lopen. Waarschijnlijk woonden er langere tijd slechts een 100 000 in Centraal Oost-Afrika. Van deze Vroege Mens ontstonden vele varianten die alle zijn uitgestorven. De stamboom wordt door groeiende kennis over de Vroege Mens steeds ingewikkelder en uitgebreider. Er zijn vele vondsten van min of meer van elkaar afwijkende soorten die op verschillende manieren aan elkaar gerelateerd kunnen worden. De beroemdste was de Neanderthaler. Richard Dawkins zei ooit: "Het is puur geluk dat die genante tussenvormen zijn uitgestorven." Het leven van de Vroege Mens draaide om eten, zich voortplanten en onheil vermijden. De Vroege Mens leefde in groepen en sprak niet maar kende wel sociale netwerken met bondgenootschappen, vetes en leiders. Kenmerkende seksuele eigenschappen, maar niet alleen bij de Vroege Mens voorkomend zijn: niet-reproductieve seks, paren met gezichten naar elkaar toe en het vrouwelijk orgasme.
    De mensensoort homo sapiëns, dat is onze soortgenoot, bestaat sinds ongeveer 200 000 jaar. Snds die tijd zijn onze hersenen niet meer in omvang toegenomen.
    De homo sapiëns is ontstaan in Oost-Afrika. Uit een artikel van Hendrik Spiering in NRC/Handelsblad citeer ik:
    Rond 125.000 jaar geleden, toen het klimaat veranderde door de komst van een nieuwe ijstijd, trokken groepen naar het noorden. Aanwijzingen daarvoor zijn de resten van de strandcultuur aan de Eritrese kust ca. 125.000 jaar geleden. Uit de periode rond 90.000 jaar geleden zijn de skeletresten van Homo sapiens in Israël gevonden. Deze trek uit Afrika zette echter niet door, daarna verdween de moderne mens er weer. Pas ca. 60.000 jaar geleden begon de definitieve trek uit Afrika en de kolonisatie van de rest van de wereld. In Europa leefden toen al een paar honderdduizend jaar Neanderthalers, en in Azië nog altijd Homo erectus, maar die mensensoorten zijn uitgestorven.
    De mens die uit Oost-Afrika migreerde zal een zwarte zijn geweest. In de laatste 60 000 jaar moeten dus de menselijke rassen zoals we die nu kennen, zijn ontstaan. Vooral de aanwezigheid van Neanderthalers tot gedurende enkele tienduizenden jaren geleden en dus gedurende vele tienduizenden jaren in hetzelfde gebied als homo sapiëns is een fascinerende gedachte. De twee verwante soorten, mensen en de Neanderthalers, moeten elkaar ontmoet hebben, hebben wellicht gevochten. Is het voorstelbaar dat de mens Neanderthalers als slaaf of huisdier heeft gehouden?

    Circa 200 000 jaar was de mens jager/verzamelaar, maar toch zullen in die periode zekere culturele ontwikkelingen hebben voorgedaan. Als ik het hier over culturele ontwikkelingen bedoel ik door velen beoefend gedrag, dat niet genetisch doorgegeven wordt aan volgende generaties, maar dat wordt doorgegeven door opvoeding of vóórleven.

    Rond circa 10 000 jaar geleden begon zich hier en daar moderne cultuur te ontwikkelen. De belangrijkste ontwikkeling is waarschijnlijk de overgang naar landbouw. In vervolgens heel korte tijd, 10 000 jaar maximaal dat wil zeggen 400 generaties, heeft die moderne cultuur zich ontwikkeld tot de maatschappij waarin wij nu leven. Over de woorden "moderne cultuur" moet toch iets meer gezegd worden.
    nog niet af

    De Mensentuin van Desmond Morris
    naar boven

    De Mensentuin is brilliant en zijn tijd ver vooruit, al in 1969, een jaar na De Naakte Aap. Morris studeerde bij Niko Tinbergen, maar werkte ook als schilder als televisieprogramma maker. Het moet een geniale man zijn. Hoewel zijn boeken heel succesvol zijn, wordt weinig naar hem verwezen. Ik vermoed dat veel van wat hij schreef ietwat speculatief was, waarbij hij niet alles wetenschappelijk volledig verantwoorden. Een man naar mijn hart dus.

    De hoodstukken in het boek zijn:
  • Stammen en super-stammen, leven in de menselijke dierentuin
  • Status en super-status, de voortdurende strijd om dominantie
  • Seks en super-seks, van onschadelijke uitlaatklep tot gevaarlijke agressie
  • Interne groepen - externe groepen, het gevecht tegen de bevolkingsexplosie
  • Fixatie en mal-fixatie, de verwarrende banden in de mensentuin
  • De stimulans-strijd, op zoek naar geluk
  • De kinderlijke volwassene, het geheim van de creativiteit

  • Hoewel het hele boek(je) uiterst lezenswaardig is, zijn hier van belang de stukken die handelen over groepen en dus stammen

    Hier is het begin van De Mensentuin.

    mensentuin 13 bewerkt.jpg

    De jager/verzamelaar werd zo'n 10 000 jaar geleden landbouwer en zelfs stedeling. Morris introduceert het begrip "superstam".

    mensentuin 19 bewerkt.JPGmensentuin 20 bewerkt.JPG

    De vragen die Morris in het volgende citaat stelt over het voortbestaan van onpersoonlijke superstammen zijn terecht. De antwoorden die hij verderop levert, heb ik niet overgenomen omdat ik zijn meningen niet helemaal deel.

    mensentuin 22 bewerkt.jpg

    De belangrijkste zinsnede in onderstaande tekst is "sociale samenwerking naar buiten, social wedijver binnen de groep". Morris heeft voortdurend heel erg gelijk maar dus juist regelmatig ook niet. De ondertoon is toch "de mens van nature slecht", een opvatting die de laatste tijd mede door Frans de Waal aan het vernanderen is. Er staat verder een verwijzing naar een school vissen. Ik denk dat zover terug en misschien nog verder al de aanleg voor de groepsvorming te vinden is.

    mensentuin 23 bewerkt.jpg

    In het volgende citaat uit De Mensentuin introduceert de subgroepen of pseudo-stammen, die meer overeenkomen met de oude stamgroep omdat men elkaar kent. Morris introduceert hier ook de dubbele moraal. Ik wil later een onderscheid maken tussen wat ik zou kunnen noemen een genetische en een culturele moraal.

    mensentuin 24 bewerkt.JPG

    LET OP, prachtig. De erfzonde is uitgevonden om ons menselijk tekort tegenover de superstam te compenseren, legt Morris uit. En daarom is er, zie verder, de culturele moraal nodig.

    mensentuin 25 bewerkt.JPG
    mensentuin 26 bewerkt.JPG
    mensentuin 27 bewerkt.JPG

    Morris is brilliant maar gaat me iets te ver hier. Natuurlijk doet de misdadiger in de super-stam wel wat zijn instinct hem ingeeft. Hij zorgt voor zichzelf en omdat hij de onbekende superstamgenoten niet kent, heeft hij er ook geen boodschap aan. Hoe dat voorkomen kan worden, dat wil ik later nog bespreken.
    De 'wet van het instict' is helemaal lariekoek. Natuurlijk ontwikkelen maatschappijen/superstammen, net zoals de oude stamgroepen, een cultuur die nooit identiek zal zijn met die van andere maatschappijen/superstammen. Natuurlijk ontlenen de stamleden er een identiteit aan. De superstamleider zou geen leider zijn als hij niet naar die cultuur zou verwijzen, maar dat is geen gemene truc, dat is puur natuur.

    Groepsvormingsdrift
    naar boven
    De mens heeft een grote drang tot het vormen van groepen. Die drang is net zo groot als de voortplantingsdrang en de drang om zich te voeden en te laven, beweer ik. Die drang is er ook bij dieren: de sardientjes, de bijen, de mieren, de apen. Maar niet bij allemaal. Roofdieren doen het anders. En hoewel genetisch niet ver van ons verwijderd vormt de orang-utang een uitzondering onder de mensapen. De orang-utang schijnt een Einzelgänger te zijn. Gorilla's, chimpansees en bonobo's vormen wel groepen, maar ieder op eigen wijze. Zo is de silverback bij de gorilla's een uitgesproken leider, en is dat meer dan leiders bij de andere twee soorten. De mens, de meest flexibele,de slimste van alle mensapen vertoont een extreme veelvormigheid van gedrag.

    Bij de mensapen is er beperkt aantal groepssoorten ofwel typen groep. Er is de groep die rondtrekt. daarbinnen zijn er verwanten, moeder met kind, de vrienden en vriendinnen. Waarschijnlijk heeft de jager/verzamelaar soortgelijke groepsvorming bedreven. De moderne cultuur heeft de groepsvormingsdrift (het is aardig om hiervan het acronym te gebruiken: gvd) gebruikt op duizelingwekkend veel manieren. De moderne maatschappij, beweer ik hier even kort door de bocht, zou nooit de ons bekende vorm hebben gekregen zonder groepsvormingdrift. Ik ga nog een stap verder: zonder groepsvormingsdrift zou nooit een moderne maatschappij mogelijk zijn. We kijken met bewondering naar de domme mieren, die gezamenlijk een zo intelligente gemeenschap kunnen vormen. Maar we kunnen er zelf ook wat van. De individuele intelligentie van de mens is meestal beperkt en daarom is het des te verwonderlijker dat de mens in staat is auto's en tv's in enorme aantallen te maken.

    Het boek Spraakmakers van Grard Westendorp
    naar boven
    Grard Westendorp in Spraakmakers beschrijft het denkproces van een leeuw die met een kudde gnoes in de buurt afziet van de jacht. Het denkproces bestaat uit een vijftal stappen:
  • hendel: informatie van buiten roept een beeld uit het geheugen (de gnoe)
  • representatie: is een pakket relevante informatie over hier de gnoe
  • platform: de reperesentatie opent een platform waar voor de besluitvorming nuttige kennis ('er is een hongersensatie?') en informatie ('zijn andere leeuwen beschikbaar voor hulp?') wordt verzameld
  • koppeling: tussen de diverse kennisbestanden op het platform wordt verband gelegd
  • berekening: afweging die leidt tot de beslissing, hier: wel of geen jacht op de gnoe.

  • Nogmaals Westendorp: Een hond ligt in de buurt van de etenstafel. Als later de tafel wordt opgeruimd blijkt de hond kippenboutjes van één van de borden gepakt te hebben. De hond betrapt, kijkt schuldbewust.
    Een duif kan categoriën leren en voorwerpen dienovereenkomstig rangschikken: rond bij rond, rood bij rood. Chimpansees ontbladeren takjes op één plek om hem vervolgens op een andere te gebruiken. Katten leren tweemaal zo snel objectpermanentie (je weet dat iets aanwezig is, ook als het aan het oog onttrokken is). Chimpansees zijn in staat het handelsreiziger probleem op te lossen: een chimpansee kiest de kortte route langs eerder lekkere hapjes, verstopt in aanwezigheid van de chimpansee. Een rangschikkingstest opgesteld door onderzoeker Vauclair werd door bavianen sneller uitgevoerd dan door mensen. Apen blijken een kosten-baten analyse te kunnen maken.
    Westendorp's beschrijving van de dierlijke denkprocessen doet me realiseren hoe dicht we bij de dieren staan. Het grootste deel van ons leven functioneren we op een denkniveau dat slechts weinig hoger is dan sommige dieren.

    Amerika
    naar boven
    In de laatste tienduizend jaar, de periode waarin zich de moderne cultuur heeft ontwikkeld, is tekort voor genetische aanpassingen. Daar is echter wellicht een uitzondering op. Altijd zullen volkeren aan het reizen en trekken zijn geweest. In de laatste paar honderd jaar is daar een bijzonder soort volksverhuizing bijgekomen: de emigratie. In enkele emigratielanden heeft zich een tragische ontwikkeling voorgedaan. In Australië, Canada en de USA is de autochtone bevolking zowat helemaal uitgemoord. Wat van die autochtone bevolking overbleef, bleef leven als onderdrukte, afgescheiden minderheidsgroep.
    De emigratie betrof niet de verhuizing van een heel volk maar van een meestal beperkt percentage van de bevolking van landen zoals Engeland, Ierland, Italië en Nederland. Natuurlijk was het niet een aselecte groep uit de bevolking die emigreerde. In het bijzonder de meer avontuurlijk ingestelde leden van de volkeren uit de Oude Wereld hebben de stap van emigratie ondernomen. Het waren mensen die in gedrag, in opvattingen en misschien zelfs in genen afweken van het gemiddelde van de bevolking, waar zij uit voortkwamen. Ze waren niet beter of slechter dan de achterblijvers, maar wel anders. Ik bedoel hier niet de economische maar de persoonlijkheidsverschillen. Het is niet zo makkelijk te analyseren wat de verschillen waren. In ieder geval behoorde daar ook bij de neiging zich niet zoveel gelegen te laten liggen aan de groep waartoe zij behoorden. De stap tot emigratie vergt een flinke hoeveelheid besluitvaardigheid (weet ik uit eigen ervaring) waarbij je de normen van de groep waartoe je behoort en je gevoelens van loyaliteit tot op zekere hoogte naast je neer moet leggen. Het vergt moed want de beschermende omhulling van de groep verdwijnt. De mensen in de Nieuwe Wereld toonden en tonen gemiddeld dus gedrag dat in lichte mate afwijkt van dat van de achtergeblevenen.
    Hier volgt een hypothese. De neiging tot groepsvorming in de Nieuwe Wereld is kleiner dan in de Oude Wereld. Individualiteit, vrijheid, onafhankelijkheid zijn waarden die relatief hoger, verplichtingen aan en loyaliteit tegenover de groep zijn waarden die relatief lager worden gewaardeerd. Maar de mens is een groepsdier. Als de groepsverbanden te zwak zijn, dan creëert dat onzekerheid, gevoelens van onveiligheid.
    De maat van het land USA levert een extra probleem. Een Amerikaan kan in het hele enorme gebied van de Verenigde Staten werk vinden. Er zijn veel minder grote culturele verschillen dan die binnen het kleinere Europa. Het gevolg is dat families zijn opgesplitst in kleine gezinnen die ver uit elkaar wonen. Niet voor niets is "Riding home for Christmas" zo'n populaire maar ook zwaar beladen lied. Alleen met Kerstmis ontmoeten veel Amerikanen hun naaste familieleden.
    De gevolgen van de genetische selectie en de uitgestrektheid van het land - en hetzelfde geldt voor Australië en Canada - zijn enorm. Er is grote nadruk op het individualisme, op de persoonlijke vrijheid, op de afkeer van de overheid. Meer nog dan in Europa is het individu de maat der dingen. Het betekent dus een schromelijke onderschatting van de noodzaak deelgenoot te zijn van de groep of meerdere groepen. Maar die onderschatting heeft zijn consequenties. Het levert gevoelens van onzekerheid, van onveiligheid, van angst op. En die gevoelens van onzekerheid hebben geleid tot waanzinnige ontwikkelingen. De groep levert veiligheid, zo ervaren dat spieringen, zwermende vogels, gnoes in de kudde en mensen die samen een feest vieren. Ontbreekt die veiligheid dan kan het individu veiligheid vinden in voldoende materiële zekerheid. Nergens wordt daarom het materialisme zo beleden als in de Verenigde Staten. En dat leidt tot een voor Europese normen idioot arbeidsethos, waarbij mensen dikwijls meerdere banen en weinig vakantie hebben.
    Het leven in de Verenigde Staten straalt een hoge mate van eenzaamheid uit (een eenzaamheid die ik uit eigen ervaring tijdens een driejarig verblijf in Canada ken) omdat er te weinig relaties met anderen zijn. Er is een tekort aan groepsgevoel. De consequenties denk ik terug te vinden in enkele merkwaardige uitwassen. Het wapenbezit met de bijbehorende wetgeving moet een gevoel van veiligheid creëeren. Is het de eenzaamheid die tot vraatzucht en zoveel "obesity" veroorzaakt?
    Toch is er de groepsvormingsdrift die tot een enorme bloei van het religieuze leven heeft geleid. Als ik op zondagochtend de kerkdienst "the Hour of Power" uit de Crystal Cathedral zie, kan ik me de troost voorstellen van de gezamenlijkheid, van het samen zijn, van het gevoel lid van een groep te zijn. Ook het virulente nationalisme, denk aan de populaire pledge of allegiance to the flag, laat zich verklaren door de groepsvormingsdrift.

    Recessie
    naar boven
    De kop boven een prachtig artikel in NRC/Handelsblad over de kredietcrisis luidt "Nieuwe zakenelite zet bedrijf op de tweede plaats". De vanzelfsprekende loyaliteit die mensen vroeger hadden met het bedrijf waarvoor ze werkten bestaat nu niet meer, vindt de voormalige bestuursvoorzitter van Lede. De CEO's van nu overtreden fundamentele regels van groepsloyaliteit. Het bedrijf, de fabriek, is een instelling waar een groot aantal mensen bijeenkomt, die gezamenlijk een doelstelling onderschrijven. Zij doen dat niet zomaar, voor ieders inzet moet betaald worden in de vorm van een salaris.
    Toch denken die mensen niet ieder moment aan hun salaris, zij verwachten niet aan het eind van iedere dag betaald te worden, zij zijn dikwijls emotioneel verbonden met het bedrijf, zij blijven er jaren werken, zij zijn lid van de groep, delen tot op zekere hoogte de waarden van de groep, schikken zich in hun rol binnen de groep. De groep, het bedrijf, kent nadrukkelijk leiders. Zoals leiders betaamt, hangt hun effectiviteit mede af van de mate waarin zij ervoor zorgen dat de groep kan blijven functioneren. Als de leiders zich niet aan de fundamentele regels van het spel houden, zal het functioneren van het bedrijf in gevaar komen.
    De groepsleden die het bedrijf vormen zijn in de eerste plaats de mensen die er werken en niet de aandeelhouders, die normaal gesproken tegen een passende beloning slechts voor de condities zorgen, waardoor het bedrijf kan functioneren. Het nastreven van aandeelhouderswaarde met voorbijgaan aan andere waarden, zoals werkgelegenheid, bijdrage aan de gemeenschap en nog zowat, het opbreken en doorverkopen van onderdelen van het bedrijf, dat alles gebeurde tijdens de jaren voorafgaand aan de huidige crisis. Zulk gedrag is in strijd met de rol van groepsleider. De consequenties maken we nu mee.
    Paarden in de wei hinniken enthousiast als een paard aan de andere kant van het hek passeert. Zij tonen wel hun groepsgevoel. Het paardengedrag en de komende recessie, het zijn allebei verschijnselen die als tientallen, honderden andere zijn te verklaren uitgaande van onze groepsvormingdrift. Dat zal ik in de volgende hoofdstukken proberen duidelijk te maken.

    Bewijs
    naar boven
    Er moet voldoende bewijs zijn voor de groepsvormingsdrift. Een bewijs is te vinden in de rituelen die worden gehanteerd tegenover bekenden, die nu ook weer niet zó bekend zijn, in het bijzonder de begroetingsrituelen. Mijn kleinzoon zal ik wellicht begroeten met een hi five, maar de gepensioeneerde hoogleraar in pak geef ik gewoon een hand. De hi five is zeker geen gebruikelijke ontmoeting voor mij. In Afrika zal ik vlijtig meedoen met de dubbele hand die daar wordt gegeven, eerst de gewone hand en dan de hand naar boven draaien tot je elkaars duimen vasthoudt, tenslotte wellicht nogmaals terugdraaien tot de stand van de gewone handdruk. Of juist de hele zachte handdruk waarbij slechts een deel van de vingers elkaar raken.

    Bij deze aanpassingen wil ik de tegenpartij laten blijken dat ik de onder zijn peer groep gebruikelijke gewoontes ken en dus verzoek deel van de groep te mogen zijn. Let wel, ik probeer dus niet mij te conformeren aan de enkele persoon die ik begroet, maar aan de groep tot welke die persoon behoort. Deze poging tot conformeren plaatst mij in een sterke positie. De persoon die ik ontmoet zal mij onbewust als medelid accepteren.

    Het zou kunnen gebeuren dat de persoon die ik ontmoet dezelfde actie wil ondernemen: hij of zij tracht zich te conformeren aan de gewoontes van mijn peer groep. Zo geeft de Burundese man die al jaren in Nederland woont, mij een stevige hand, volslagen tegen de gewoonte van zijn landgenoten in. Ik constateer het en bedenk me dat hij zich een heel eind aan de Nederlandse maatschappij heeft geconformeerd. Toch blijken de meeste mensen dit soort aanpassingstrucjes niet door te hebben. En dan slaagt mijn truc, een truc die gebaseerd is op het onderscheiden van de gewoonten van de ander die hij of zij aan de groep ontleent.

    Laat ik nog twee bekende voorbeelden noemen. Er zijn de drie begroetingszoenen, eerst typisch Brabants, inmiddels een soort handelsmerk voor Nederlanders. Zich eraan onttrekken levert gemengde reacties. Gemengde reacties kreeg Claus ook, toen hij de stropdas demonstratief afwierp. O ja, iedereen vond hem aardig en origineel maar ook merkwaardig. Hij kon deze actie alleen ondernemen vanwege zijn uitzonderlijke positie in de Nederlandse samenleving: uiterst hoge sociale status met al vele jaren de reputatie van een aimabele persoonlijkheid. Toch is zo'n demonstratie van non-conformisme een rebelse actie. Het is de actie van een individu om de groepsmores te doorbreken. De groep bekijkt het welwillend maar de actie mag niet te ver gaan. Als dat gebeurt wordt de persoon (virtueel EN reëel) uit de groep gegooid.

    Woorden
    naar boven
    Er zijn vele persoonsbeschrijvingen:
  • postbode, metselaar,
  • idioot, luiaard,
  • broer, nicht,
  • biljarter, snorkelaar,
  • gepensioeneerde, huisjesmelker,
  • bisschop, diaken.

  • De tweetallen persoonsbeschrijvingen hierboven zeggen achtereenvolgens iets over het beroep, de mentale gesteldheid, de familierelatie, de tak van sport die wordt beoefend, de economische status en de positie in de kerk.
    Sommige persoonsbeschrijvingen vertellen ons iets over de groepsstatus, of iemand een groepsgenoot is of juist niet. Eerst een lijst van groepsgenoten.
    echtgenoot
    oom
    lid
    vriend
    kind
    moeder
    kollega
    vriend
    zoon
    partner
    chef
    relatie
    familielid
    ondergeschikte
    buurman
    autochtoon
    Het is interessant deze woorden vooraf te laten gaan door een bezittelijk voornaamwoord. Bijvoorbeeld: 'mijn dochter' of 'mijn chef'. De combinatie is veel logischer, vanzelfsprekender dan de combinatie van bezittelijk voornaamwoord en een persoonsbeschrijving zonder groepsstatus, bijvoorbeeld 'mijn gepensioeneerde' of 'mijn chirurg'. In deze gevallen is extra uitleg noodzakelijk. Het bezittelijk voornaamwoord heeft kennelijk als betekenis: 'de betreffende persoon en de bezitter (mijn, zijn, haar) zijn groepsleden'. In het geval de persoonsaanduiding zelf geen groepslid-eigenschappen heeft, geeft het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord een merkwaardig gevoel. Het gebruik lijkt NIET OP ZIJN PLAATS te zijn! Daarom de noodzaak van extra uitleg. 'Mijn chirurg' zal gebruikt worden als iemand vertelt over de operatie die hij heeft ondergaan, waardoor met de chirurg een relatie in aangegaan, die de chirurg groepslid maakt. (Autochtoon is natuurlijk alleen een groepsgenoot van de andere autochtonen - in dit land ben ik autochtoon - integenstelling tot echtgenote en één kind)
    Hier een lijst van niet-groepsgenoten. Het bijzondere van deze woorden is dat deze juist WEL een groepsstatus hebben, namelijk dat het aanduidingen zijn van personen die nadrukkelijk GEEN lid van de eigen groep zijn.
    vijand
    zonderling
    tegenstander
    allochtoon
    concurrent
    vreemdeling
    Het gebruik van een bezittelijk voornaamwoord is hier soms weer wel logisch: 'onze vijand', omdat dan verwezen wordt naar de confrontatie van twee groepen!

    De bezittelijke voornaamwoorden blijken een belangrijke indicatie van de groepsstatus te geven. Dat geldt ook voor de persoonlijke voornaamwoorden.
    Ik - het gebruik van het woord "ik" maakt meer dan welk woord dan ook duidelijk dat wij een "theory of mind" hebben, een besef dat we onszelf als een persoon kennen
    Jij - diegeen die als "jij" wordt aangesproken is een groepslid. Dat kan een volledig nieuw groepslid zijn, de vreemdeling die we zojuist hebben ontmoet en met wie we een relatie rpoberen te scheppen.
    Hij - deze persoon maakt geen deel uit van de groep van minstens twee personen die met elkaar communiceren, geen groepslid dus.
    Wij - vormen samen een groep
    Jullie - een collectief waarvan de spreker op dit moment geen deel uitmaakt (De pianist zegt tegen de andere bandleden: "jullie spelen vals")
    Zij - Anderen, personen die geen groepsgenoot van de spreker zijn.

    Kleding
    naar boven
    Natuurlijk werd en wordt kleding vooral gebruikt om het lijf te beschermen. Er zijn inmiddels nog een aantal andere functies aan kleding toegekend. Daarbij blijkt hoe belangrijk kleiding is voor het beleven van groepsprocessen. Klederdrachten zijn vormen van kleding die vroeger typerend waren voor een bepaalde streek, dorp of stad. Het beroemdste voorbeeld zijn de kapjes die door vrouwen in Volendam werden gedragen. Het kapje werd een symbool voor Nederland. De klederdracht-kleding is zeker niet altijd functioneel, denk aan de uiterst onhandige Zeeuwse en Scheveningse kappen. De kleding straalt uit dat de drager of draagster zich identificeert met de groep: de medebewoners van dorp, stad of streek. De geruite stof van Schotse kilts, die de drager identificeert als een Schot, blijkt per clan zijn specifieke patroon te hebben. Clanleden en andere ingewijden kunnen de drager dus als lid van een specifieke groep identificeren. Voor al deze klederdrachten geldt (meen ik) dat binnen het voorgeschreven stramien het individu een klein beetje ruimte heeft voor eigen expressie. Het is van belang dat we ons realiseren dat die ruimte maar heel beperkt is. Naast kleding kunnen andere versierselen worden gebruikt om groepslidmaatschap zichtbaar te maken. Denk aan versierselen van de Masai krijgers, de lipschijven van vrouwen van de ??? stammen in ???, de littekens ten gevolge van opzettelijk aangebrachte verwondingen in heel Afrika maar ook de littekens ten gevolge van duels bij jongemannen van stand in Duitsland in de 19e, begin 20ste eeuw, de oorijzers van de Zeeuwse en Scheveningse vrouwen. Het uniform (één vorm!) dient ook om het groepslidmaatschap zichtbaar te maken. Het militaire uniform levert infromatie over het land, het legeronderdeel en de rang van de drager binnen dat onderdeel. Maar er zijn ook uniformen voor bepaalde beroepsgroepen: de koksmuts, de portierskleding bij sjieke hotels, de doktersjas en het verpleegstersuniform. Subtielere toepassingen zijn er ook. De moderne zakenman zal tijdens zijn werk een pak, bij voorkeur een donkerblauw of een krijtstreep)

    Lidmaatschap
    naar boven
    "Dit is een volk met deeltijdloyaliteit aan werk, school, buurt, partij, omroep en publieke zaak." Chavannes, NRC/H - 1/5/2010
    Het begrip lidmaatschap is de tegenhanger van het begrip groep. Ik heb tot dusverre voortdurend gedacht aan het bestaan van groepen. Rik Smits brengt mij met zijn boek Dageraad: hoe taal de mens maakte op andere gedachten. De groep is er alleen in het hoofd van de leden van de groep. Zij denken dat er een groep is. Zij denken dat zij lid zijn. De groep is in de termen van Rik Smits een concept in het brein van de leden, net als hun lidmaatschap. Ieder lid ziet zichzelf als lid van meerdere groepen.
    Het gevoel van lidmaatschap zal lang, lang geleden ontstaan zijn. De eerste aanleg is er bij de eerste organismen die groepsgedrag vertoonden. Dat lidmaatschapsgevoel was de grondslag van de groepsvorming. Het concept lidmaatschap is natuurlijk ontwikkeld, zelfs min of meer bewust geworden bij hoger ontwikkelde dieren. Als een wolf denkt, zal een flink deel van zijn gedachten gewijd zijn aan zijn lidmaatschap van de roedel. Evenzo zal de jager/verzamelaar zich bezighouden met zijn lidmaatschap van de groep, de clan, waarvan hij deel uitmaakt. Daarbij gebruikt hij het vele geslachten, vele millioenen jaren eerder ontwikkelde lidmaatschapsgevoel.
    Nu is een gigantische denksprong te maken. Waarschijnlijk voelde de jager/verzamelaar zich lid van slechts een klein aantal groepen: de clan, zijn eerstegraads familieleden (voor zover bekend), zijn leeftijdsgenoten. De moderne mens kan met datzelfde lidmaatschapsgevoel het aantal lidmaatschappen uitbreiden tot een bizar groot aantal. Het zich lid kunnen en willen voelen ligt dus genetisch vast. Het gebruik ervan, het toepassen, is vrij. Wij, moderne mensen, hebben het aantal lidmaatschappen enorm uitgebreid. Hier zijn er enkele: gezinslid, famileilid, lid van de kerk, van de sportvereniging, van Natuurmonumenten, van een politieke partij, van de maatschappij Maar ook de zinsnede "ik ben" duidt dikwijls op lidmaatschap: ik ben socialist, ik ben voetballer, ik ben Brabander, Nederlander, autochtoon, gepensioeneerde, werknemer bij Philips, loodgieter.
    De essentie van het lidmaatschap is dat het lid opvattingen en/of gedragingen deelt met de andere leden van de groep waarvan het lid deelt uitmaakt of deel uit denkt te maken. Dat betekent dat het lid bepaalde normen, gedragsvoorschriften met anderen deelt of denkt te delen.
    De eerste van duizenden voorbeelden die me te binnen schiet: het golfvaardigheidsbewijs. Natuurlijk gelden overal ter wereld al een aantal regels die bij het golfspel worden gehanteerd, regels niet alleen om de strijd tussen elkaar bekampende golfers te regelen. Interessant dat in Nederland een examen moet worden afgelegd om aan te tonen dat men deze regels kent. Dat examen levert dan het golfvaardigheidsbewijs. Zou het niet aardig zijn om daar ook het afleggen van een golfeed aan te verbinden?
    De gedragsvoorschriften zouden ook beschreven kunnen worden als een verzameling rechten en plichten van ieder lid. In het voorbeeld van het golfvaardigheidsbewijs zijn de regels geformaliseerd. Die formalisering betekent nog niet dat ieder groepslid, dat is in het geval van golf iedere Nederlandse golfer, zich ook aan deze regels houdt. Dikwijls zijn er geen formele regels. Laat ik een paar groepen met en zonder formele regels noemen.
    Met formele regels:
    bewoners van Nederland: Burgerlijk Wetboek
    vereniging: statuten en huishoudelijk reglement
    werknemers: (collectieve) arbeidsovereenkomst
    Zonder formele regels:
    gezinsleden
    bus vakantiegangers
    buurt Dat zonder formele regels het lid zich toch gedwongen kan voelen aan bepaalde verplichtingen te voldoen kan ook duizendvoduig geïllustreerd worden. Als de andere buurtbewoners na sneeuwval de stoep schoonvegen bepaalt zijn sensibiliteit of iemand ook de sneeuw wegveegt. Is door een buurtvereniging het lidmaatschap meer geformaliseerd, dan is de maatschappelijke druk, eigenlijk het gevoel van verplichting in het hoofd van ieder lid, groter.

    Het individu
    naar boven
    Een belangrijk kenmerk van deze tijd, laten we zeggen de laatste vijftig jaar, is het streven in ons deel van de wereld naar de opperste beleving van de individualiteit. Een mooie illustratie hiervoor is de opinie over de gedwongen bruiden, ook wel importbruiden genoemd. Nederlanders vinden het schandalig dat jonge meisjes in Turkije moeten trouwen met Turkse in Nederland wonende mannen. Het is volledig in strijd met onze opvatting over het huwelijk. Het huwelijk is de bezegeling van de individuele liefde van een jonge man en een jonge vrouw.
    De Turkse families die deze huwelijken regelen, hebben een andere mening. Natuurlijk zijn de Turken, al of niet in Nederland wonend niet "slechter" dan Nederlanders. In die cultuur - althans, vermoed ik, in sommige delen van het platteland van Turkije - is het belang van het individu, van de jonge bruid, ondergeschikt aan het belang van de familie. De familie kan dus naar believen beslissen voor het individu, die zich bij die beslissing dient neer te leggen. Verzet tegen een dergelijke beslissing zal als verwerpelijk worden beschouwd, een bewijs voor gebrek aan loyaliteit. Het is een verdedigbaar standpunt.

    Wat is de individualisering? Laat ik het omschrijven als de neiging de opvattingen en gedragingen van het individu, van de eigen persoon en van anderen, hoger te achten dan voorheen. Het gevolg is dat de opvattingen en gedragingen van mensen verder uiteen kunnen waaieren, onderling steeds grotere afwijkingen kunnen vertonen. Individualisering heeft daarmee enorme maatschappelijke consequenties.

    Maar eerst kan men zich afvragen of de maatschappelijke ontwikkeling altijd en overal is gegaan in de richting van grotere individualisering. Is in de geschiedenis van China te onderscheiden of er perioden waren met toenemende dan wel afnemende individualiteit? De Romantiek is zeker een tijdperk geweest van individualisering. Ook de Renaissance. Toen kon het individu zich losweken van de heerschappij van de kerk. De oude Grieken waren toh ook individualisten? Iedere moderniseringsbeweging lijkt individualisering met zich te brengen.

    Wat is eigelijk de drijvende kracht achter de individualisering? Hoe zat het het met de individuele opvattingen van de jager/verzamelaar? Tijd voor een hypothese. Misschien is het beter te spreken van krachten die individualisering tegenhouden. In tijd van oorlog, van tekort, van gevaar - en zo was het in de jager/verzamelaar tijden voortdurend - was de noodzaak van conformeren aan gemeenschappelijke doelstellingen veel groter. De soldaat moet zich aan het centrale gezag onderwerpen anders wordt de oorlog zker verloren. In moeilijke tijden is individualisering onwenselijk. Misschien is de individualisering wel zo'n sterke kracht omdat in de Westerse wereld de laatste halve eeuw veiligheid, gezondheid, zekerheid ongekend groot waren. Een rem op de individualisering, meestal in werking gesteld door de machthebbers, was niet nodig. En dan werkt de groep, de groepsmoraal, de groepsdruk op een omgekeerde manier. De groep "besluit" geheel onbewust dat de noodzaak individualisering tegen te houden minder groot is en de groepsleden gedragen zich dienovereenkomstig.

    Eigenlijk is bovenstaande niet origineel. In de piramide van Maslow staat zelfontplooiïng bovenin, boven meer basale behoeftes als veiligheid, gezondheid en voeding. De "lagere" behoeften moeten eerst vervuld worden, voordat naar vervulling van de hogere gestreefd wordt.

    Maar nu de consequenties. Plotseling is het kind niet meer een weinig opgevoed persoon die eventueel met hardhandige middelen leren moet, zich te conformeren. Het kind moet zich kunnen ontplooien, zich in vrijheid kunnen ontwikkelen. In plaats van het geven van opdrachten, instructies en correcties onderhandelt de ouder. Opvoedingsidealen veranderen. Het gevolg is dat kinderen opgroeien met andere en onderling afwijkende opvattingen en gedragingen. Er is divergentie. Individuele kwaliteiten en mankementen treden sterker op de voorgrond. Er zijn plotseling een groeiend aantal ADHD-ers. Was mij de vrijheid vijftig jaar geleden vergund, dan was ik een ADHD-er geworden.

    De ontplooiïng heeft veel verdergaande consequenties, die ik op dit moment nog maar schimmig voor me zie. Meer mensen zijn in de gelegenheid de uiterst persoonlijke mix van eigen kwaliteiten te ontdekken, deze te ontwikkelen en te gebruiken. Dat betekent dat op alle mogelijke terreinen van wetenschap en kunst een explosie van originele gedachten, beelden, theoriën plaatsvindt. En dat leidt weer tot een zich razendsnel ontwikkelende maatschappij die mensen buiten geestelijke adem nauwelijks bij kunnen houden. Alles wat op internet erbij komt illustreert dit. De ontwikkeling van eigen kwaliteiten leidt ook tot een hogere intelligentie. (De intelligentie was er natuurlijk ook wel zonder die ontwikkeling maar kon zich niet manifesteren.) De ontplooiïng leidt ook tot een uiteenwaaieren van meningen en inzichten. Mensen kunnen het zich permitteren opinies te vormen die afwijken van die binnen de eigen groep. Het zou wel eens de doodsteek van de democratie kunnen zijn. Op zeker moment zijn de meningen te sterk afwijkend om nog onder de paraplu van een politieke partij of van een religie, te vallen.

    Groeiend individualisme is er dus maar de ware aard van de mens kan niet verloochend worden. Tegelijk treden groepsvormingsprocessen onweerstaanbaar op. Veel meer dan vroeger tooit de mens zich met individuele meningen: "Ik vind ......" Maar het is schijn-individualiteit. De klederdracht zoals die van de Scheveningse en Zeeuwse vrouwen, zoals die van Marken en Voldendam, is vervangen door eigen smaak. Maar toch dragen opeens veel, heel veel vrouwen laarzen, zomer en winter. De universitaire academicus en de journalist hebben geen das maar wel een jasje. In het Gooi wordt de sjaal geknoopt op Laga-wijze (dubbel om de nek, de twee losse einden door de lus). Politici tooien zich met een rode stropdas dit seizoen. En nu heb ik het nog alleen maar over de kledingmode. Spugen werd populair gemaakt door voetballers in de glrietijd van AJAX, en hoewel een strikt taboe voordien, overgenomen door millioenen jongens en mannen. Het lijkt nu weer minder populair te worden. Duizenden andere gedragingen, opinies en overwegingen, waarvan velen denken dat ze op een individuele beslissing berusten, zijn eigendom van het collectief.

    Het meest individualistische beroep is dat van de kunstenaar. Die streeft immers naar de meest individuele expressie van de meest individuele emotie. Maar toch conformeren alle kunstenaars zich aan hun tijd. Daarom kan er van Impressionisten, van Kubisten, van Magisch Realisme, enzovoorts gesproken worden. De meeste kunstenaars blijken dan toch naäpers te zijn, mensen die bij anderen de kunst afkijken. Een uitzondering vormen de grondleggers, en dat zijn dan meteen ook de besten van het tijdperk: Beethoven, Mondriaan.

    Voor individualisme is ruimte tijdens perioden van relatieve stabiliteit, veiligheid, welvaart. Het aardige is dat zo'n periode van welvaart zoals we die nu kennen slechts mogelijk is ten gevolge van sterke groepsprocessen. Het produceren van een auto of een tv-ontvanger is slechts mogelijk door een uiterst fijn afgestemde samenwerking van grote groepen mensen.

    Ras
    naar boven
    Citaat uit NRC/H van doncerdag 2 juli:
    Dat mensen onbewust meer meevoelen met rasgenoten dan met mensen van een ander ras, is te zien in de reactie van hun hersenen. Dat schrijven Chinese onderzoekers deze week in het Journal of Neuroscience. De onderzoekers lieten Kaukasische en Chinese proefpersonen nsar filmpjes kijken waarop iemand van het eigen ras of iemand van het andere ras in het gezicht werd geprikt met een naald. Ondertussen volgden ze de hersenactiviteit met MRI. Het hersendeel dat betrokken is bij pijnverwerking werd sterker actief wanneer slachtoffer en toeschouwer van hetzelfde ras waren. Dat mensen meer meevoelen met groepsgenoten was al bekend, maar nog nooit op hersenniveau aangetoond.

    Tinkebell
    naar boven
    Tinkebell doodde haar eigen kat en maakte er een handtasje van. Het verhaal maakte veel negatieve reacties los. Deze negatieve reacties, echte hatemail, verzamelde zij in een boek: "Dearest Tinkebell".
    Tinkebell is een Nederlandse kunstenares.
    Op de website van haar kunstverkoper staat By turning her own cat into a handbag she tries to show people their own hypocrisy about the use of animals for consumption and leather production.
    In een televisieprogramma (Pauw en Witteman) vertelde dat zij zelf de kat gedood en gevild had. De kat was "depressief".
    Zucht naar publiciteit is zo overwegend geweest dat de enorme denkfout, die zij maakte, haar is ontgaan. Niet alle dieren zijn gelijk. Een huisdier, het moderne geknuffelde huisdier, vervult de rol van partner, metgezel. Het is voor de eigenaar een vermenselijkt groepslid met dezelfde rechten en plichten als die van een echt medemens/groepslid. Zo'n dier doden is de eigen volstrekt valide gevoelens verloochenen - of is een bewijs voor de afwezigheid van die gevoelens. Het is daarentegen logisch dat huisdieren, die worden gehouden als voedselbron, door de eigenaar worden gedood omdat daar de zorg voor het eigen leven uitstijgt boven eventuele toch aanwezige affectieve gevoelens. Denk aan Flappie, het kerstkonijn van Youp van 't Hek. Tegelijkertijd is het ook valide, dat wil zeggen in overeenstemming met evolutionair gezonde ethische opvattingen om uit respect voor het leven - een afgeleide van het onderwerp van dit boek - diervriendelijk leven en dood te eisen van de bio-industrie. Hoe ver reikt dit respect voor het leven? Van Schweitzer, de organist/dokter/ziekenhuisdirecteur en ontwikkelingswerker in Lambarene (Gabon) werd gezegd dat hij zelfs insecten het leven spaarde. Dat gaat de meeste mensen te ver. Tinkebell is gestoord.
        

    Geestelijke gezondheid en lidmaatschap
    naar boven
    Twee studies stellen zinnige vragen bij de modes in de psychiatrie is de ondertitel van een artikel van Beatrijs Ritsema in de NRC van 20 oktober 2009. Hier een citaat:
    Zowel Bentall als Verhaeghe meent dat sociale ontwrichting (problemen op het gebied van groepslidmaatschap en identiteit) het grootste risico vormt voor geestelijke gezondheid. Erbij horen of niet erbij horen, daar draait het om. Verhaeghe, de psychoanalyticus, signaleert de opkomst van een nieuw anonymaat; mensen die geen deel uitmaken van een richtinggevende stabiele groep. Instituties als gezin, familie, kerk, school boden hun leden traditioneel een kader en legden zelfbeheersingsnormen op voor levensterreinen als hygiëne, eten, drinken, erotiek en genot in het algemeen. In deze hedonistische, geliberaliseerde maatschappij is het principe van deugd omwille van de deugd vervangen door het minimale voorschrift om geen anderen te schaden, terwijl er hooguit beperkingen gelden qua financiën en gezondheid. Het gevolg van deze giftige cocktail van moreel en cultureel relativisme is patiënten met een psychische leegte daar waar een identiteit zou moeten zijn.
    Deze paar regels behoeven nauwelijks toelichting. De mens heeft het lidmaatschap nodig, heeft nodig zich lid te voelen. Ontbreeekt of ontbreken lidmaatschap(pen), dan gaan er dingen mis. En "de deugd (is) vervangen door het minimale voorschrift om geen anderen te schaden". Er is dus een direct verband tussen lidmaatschap(pen) en ethische opvattingen ofwel besef van normen en waarden.
    Ik schrijf lidmaatschap(pen). Die dubbelzinnigheid heeft een betekenis. Het woord lidmaatschap wordt gebruikt om de relatie tussen een persoon en één organisatie te beschrijven. Maar het lidmaatschap kan ook als een menselijk kenmerk worden beschouwd, een kenmerk met een bepaalde kwantiteit. Iemand met "veel lidmaatschap" is niet persé lid van veel organisaties maar het lid zijn is voor die mens een belangrijk onderdeel van zijn bestaan.

    Spiegelneuronen
    naar boven
    Ik sta bij de kassa van de supermarkt en kijk naar de man die voor me zijn koopwaar op de band legt. Hij is gehaast en maakt er een berg van waar een stokbrood vanaf dreigt te rollen. Ik ben volledig verzonken in zijn bezigheid. Ik ben de ander, of de ander heeft van mij bezit genomen. Dat komt door de werking van mijn spiegelneuronen.
    Marco Iacoboni schreef een boek over spiegelneuronen: Het spiegelende brein, in het engels Mirroring people. Het is geen pretje om te lezen. Mogelijk dat de vertaling tot de onleesbaarheid heeft bijgedragen. Het is irritant dat het een opsomming van onderzoeken is, die hij steeds weer presenteert door te starten met de hypothese die dan onafwendbaar in het daarna beschreven onderzoek wordt bevestigd. Dikwijls is moeilijk te volgen wat de verschillen zijn tussen de vele hypotheses. Maar ondanks dat is het een sensationeel boek. Spiegelneuronen zijn hersencellen die als eerste zijn ontdekt door Giacomo Rizzolatti en mensen in zijn lab in Parma, Italië, onder andere Vittorio Gallese. De ontdekking van de spiegelneuronen en hun eigenschappen, zou verstrekkende maatschappelijke gevolgen kunnen hebben.

    Wat spiegelneuronen doen is te illustreren met het volgende voorbeeld. Bij hersenonderzoek aan makaken bleek dat bepaalde individuele neuronen "vuren" bij zowel (1) grijpen, (2) zien grijpen en (3) zien wat te grijpen is. Deze neuronen worden spiegelneuronen genoemd. Mens en dier worden geboren met spiegelneuronen. De jongste baby die imitatiegedrag berustend op de aanwezigheid van spiegelneuronen vertoonde, was 41 minuten oud. Al lerend ontstaan meer spiegelneuronen in het brein.

    In het laatste hoofdstuk geeft Iacobini zelf een soort samenvatting:
    We hebben gezien dat spiegelneuronen in apenhersenen zich bezighouden met de verwerking van bepaalde fundamentele handelingen uit het 'motorische repertoire' van het dier, zoals het vastpakken van voorwerpen, het eten van voedsel en het produceren van communicatieve gelaatsuitdrukkingen. Ze hebben ook de verrassende eigenschap dat ze vuren wannneer apen helemaal niets zitten te doen en alleen maar zitten te kijken naar iemand anders die deze handelingen uitvoert. Spiegelneuronen reageren ook op geluiden die met handelingen verbonden zijn, zoals het openbreken van een pinda, ook al is die handeling niet zichtbaar. Spiegelneuronen vuren zelfs wanneer de handeling slechts gedeeltelijk zichtbaar is en ze kunnen onderscheid maken tussen twee identieke grijphandelingen die met verschillende intenties worden uitgevoerd. Deze cellen lijken kortom de handelingen en de intenties van andere individuen in de hersenen van de waarnemende aap 'na te bootsen'.
    Voortbouwend op en parallel aan het onderzoek bij apen hebben experimenten ..... bij mensen een spiegelneuronsysteem onthuld dat dezelfde functies vervuld als dat van apen. Bij mensen is hun rol bij imitatie zelfs nog wezenlijker omdat imitatie zo fundamenteel is voor ons exponentieel grotere vermogen tot leren en de overdracht van cultuur. Menselijke spiegelneuronengebieden lijken ook belangrijk voor empathie, zelfbewustzijn en taal. We werken amper vijftien jaar met spiegelneuronen maar we weten inmiddels al dat deze cellen hoogstwaarschijnlijk van vitaal belang zijn voor ons algehele begrip van de menselijke hersenen, de menselijke psyche en daarmee van onszelf.
    Al deze mechanismen vloeien voort uit het 'eenvoudige' mechanisme waarmee spiegelneuronen niet alleen vuren tijdens onze handelingen, maar ook tijdens het waarnemen van dezelfde handeling bij anderen. Het lijkt alsof het spiegelneuronsysteem deze andere mensen inwendig in onze hersenen projecteert.


    Een aantal conclusies:
    Spiegelneuronen geven ons inzicht in de intenties van andere mensen. "Het is of de ander een ander zelf wordt.""Het is alsof de intentie van de ander in mijn lichaam huist."
    Spiegelneuronen hebben de ontwikkeling van taal mogelijk gemaakt.
    Spiegelneuronen maken imitatie mogelijk en zijn daarom van groot belang bij het leren. Het leren heeft de ontwikkeling van een complexe cultuur mogelijk gemaakt.
    Het bestaan van spiegelneuronen ondergraaft het idee van de vrije wil.
    Spiegelneuronen spelen een rol bij het begrijpen en invoelen van de emoties van anderen. Mensen imiteren onbewust andermans uitdrukkingen van emoties en ondergaan vervolgens die emoties. Een van de belangrijkste doelen van imitatie zou kunnen zijn dat we daardoor bij sociale interactie een lichamelijke 'intimiteit' tussen het zelf en de ander bewerkstelligen en dat leidt weer tot empathie = invoelingsvermogen. De motorische imitatie van (bijvoorbeeld) een glimlach gaat vooraf aan het meevoelen, maar de luisteraar wordt dus door de gesprekspartner opgewekt gemaakt. Vervolgens vindt degeen die geïmiteerd wordt de imitator aardiger.
    Het voeren van een gesprek is makkelijker dan het voeren van een monoloog. Dat is in strijd met wat logischerwijs is te verwachten. Het is wel iets dat iedereen intuïtief bevestigen kan. De verkaring is gelegen in spiegelneuronen en imitatie. "Elk gesprek is een gecoörineerde activiteit met een gezamenlijk doel." Er blijkt 'motorische resonantie' te zijn. Bij luisteren naar spraak worden spraakmotorische hersengebieden op dezelfde manier geactiveerd als bij het spreken. Wordt die mogelijkheid uitgeschakeld dan kunnen we niet goed meer luisteren.
    Volgens Iacobini bezitten we bij geboorte al spiegelneuronen - dat volgt uit de experimenten met pasgeborenen - maar spiegelneuronen worden (vooral?) in de hersenen van een kind gevormd door interacties tussen het zelf en de ander. Rijke interactie tussen moeder en kind bij de mens en sommige diersoorten (primaten, dolfijnen, olifanten) leidt tot convergente evolutie, vorming van veel spiegelneuronen met als gevolg zelfbesef en dus herkenning van de eigen persoon voor de spiegel. Dat lukt bij (mensen)kinderen pas aan het eind van het tweede levensjaar.
    Een hoge activiteit in spiegelneuronengebieden (tijdens experimenten waarbij proefpersonen kijken naar reclamefilmpjes) weerspiegelt volgens mij (Iacoboni, RK) bepaalde vormen van identificatie en verbondenheid...... Deze spiegelneuronen lijken een soort 'intimiteit'te scheppen tussen hetzelf en de ander, en het is dan ook een logische veronderstelling dat activiteit in het spiegelneuronsysteem ook relevant kan zijn voor het gevoel dat we behoren tot of verbonden zijn met een specifieke sociale groep waarvan de leden voor ons gevoel meer op ons lijken dan andere mensen. En dan legt Iacobini uit hoe hij zich lid van diverse gemeenschappen voelt: tennisfans, sushiliefhebbers, ouders van pubers, waarbij hij vaststelt dat de verbondenheid met leden van de ene groepe groter kan zijn dan met die van een andere.
    Politieke experts, mensen met veel politieke belangstelling en kennis, blijken spiegelneuronenactiviteit te vertonen bij het zien van bekende politici die erop duidt dat zij het gevoel hebben tot een specifieke gemeenschap te behoren. Onderzoek naar politieke groeperingen Negatieve beeldvorming over de (politieke) tegenstander werkt en negatieve beeldvorming kan een gevaarlijke emotionele afstand scheppen tussen kiezers en leiders die hen zouden moeten vertegenwoordigen..

    ...... Het boek van Iacobini levert meer vragen dan antwoorden. Hier zijn er een paar:
  • Hoe is het mogelijk om één neuron te onderzoeken en waaruit bestaat het 'vuren' van een neuron?
  • Hebben mensen meer spiegelneuronen dan dieren? Zo ja, welke evolutionaire druk leidde tot deze verandering?
  • Als spiegelneuronen al bij de geboorte aanwezig zijn maar ook later in het leven gemaakt worden, hoe verhouden zich dan de aantallen?
  • Verkrijgt de één meer speiegelneuronen dan de ander en tot wat voor persoonskenmerken leidt: intelligentie, conformisme, empatisch vermogen?
  • Is er een correlatie tussen de leeftijd van zelfherkenning en de mate van interacties tussen moeder en kind?
  • Iacobini schrijft:
    Eén van mijn hypothesen met betrekking tot spiegelneuronen en sociaal gedrag stelt dat activiteit in het spiegelneuronsysteem een aanwijzing is voor ons gevoel van verbondenheid met andere mensen. We hebben gezien dat deze hersencellen ons de handelingen van anderen helpen begrijpen door precies die handelingen, samen met de activering van onze eigen motorische plannen, in onze hersenen te simuleren. Op die manier helpen spiegelneuronen ons ook te voelen wat andere mensen voelen. Boven dien () houden spiegelneuronen zich ook bezig met ons eigen proces van zelfherkenning. Kortom, deze cellen lijken een soort 'intimiteit' te scheppen tussen het zlef en de ander en het is dan ook een logische veronderstelling dat activiteit in het spiegelneuronsysteem ook relevant kan zijn voor het gevoel dat we behoren tot of verbonden zijn met een specifieke sociale groep waarvan de leden voor ons gevoel meer op ons lijken dan andere mensen.
    We kunnen op allerlei terreinen van het leven verbondenheid voelen bijvoorbeeld wat betreft huidskleur en nationaliteit.... Er zijn ook vormen van verbondenheid die meer cultureel bepaald zijn. Zo voel ik me lid van de wereldwijde gemeenschap van neurowetenschappers en ik heb een vergelijkbaar (hoewel wat zwakker) gevoel bij andere sociale groepen die op allerlei andere manieren worden gedefiniëerd, van Mac-gebruikers tot Ipod-luisteraars, van tennisfans tot operakenners, van wijnconnaisseurs tot sushiliefhebbers. Binnen enkele van deze spontaan gevormde groepen is het gevoel van verbondenheid - of op zijn minst het gevoel van een gedeelde ervaring - waarschijnlijk dieper en betekenisvoller dan binnen andere. Zo heeft bijvoorbeeld het gevoel 'een ouder van een puber' te zijn voor de meeste leden van deze groep meer betekenis dan het gevoel tot de gemeenschap van sushiliefhebbers te behoren. Ik denk dat dit verschijnsel zich nog krachtiger manifesteert wanneer het om belangrijke sociale kwesties gaat, zoals progressief versus conservatief, voor abortus versus tegen abortus. Voor veel mensen gaan dit soort identificaties diep.


    Tomasello
    naar boven
    Hier is Tomasello in een lang (50 minuten) interview te vinden via Google. De belangrijkste zinnen in dit interview, te vinden na het tijdstip 40 minuten:
    One of the central things about human evolution that explains a lot of things that happen in the world is that our abilities and our motivations for cooperation evolved in small groups. They evolved to interact with people that you knew well and everything you did was observed by people that you had to interact with tomorrow. You hardly ever encountered anyone who was a stranger When you encountered strangers they were from another group and you basically kept your distance. The cooperation is for others in the group that look like me and talk like me. Since agriculture we have cities with people from all different groups and background interacting together and we have to learn to live together. Obviously all you have to do is to read the news anyday we have struggles doing that. It is difficult to do that. We don't trust people from other groups as much as we do people from our own group. The optimist says that we are making some progress at learning to live together with one another and with others from other groups and with having many setbacks along the way.....
    One of the central facts about human evolution that explains many things is that biological evolution is relatively slow and cultural evolution is relatively fast That explains why we are in cities and on television whereas some of our cognitive abilities are stil the same ones that we had when we lived in small groups.


    Tomasello biedt hier een bevestiging van mijn veronderstelling: de mens is een jager/verzamelaar die geleerd heeft in kleine groepen te leven en met dit vermogen onze moderne maatschappij heeft geschapen. Slechts middels culturele verworvenheden lukt het deze maatschappij in stand te houden en dan alleen met vallen en opstaan. Ook voor Tomasello is dit meer een veronderstelling dan een wetenschappelijk feit, zo schat ik in.
    Michael Tomasello heeft een prachtig klein boekje geproduceerd: Why we cooperate(2009). Zijn tekst, die tweederde van het boekje beslaat, wordt gevolgd door het commentaar van vier mensen met wie hij aan het Max Planck Instituut in Leipzig samenwerkt. Hij is ontwikkelingspsycholoog. In het boekje ondersteunt hij zijn denkbeelden met onderzoek aan het gedrag van apen en jonge kinderen. Zijn ideeën vertonen grote verwantschap met die van Frans de Waal. Maar er is een groot verschil. Frans de Waal beargumenteert hoe menselijk de mensaap is. Tomasello legt veel meer nadruk op de fundamentele verschillen tussen mensapen en de mens. Lezing maakt me duidelijk dat het concept "het lidmaatschap" (nog steeds) valide en bruikbaar is maar wellicht ooit in de vuilnisbak moet. Tomasello's boekje begint met een prachtige definitie van cultuur: When individuals socially learn to the degree that different populations of a species develop different ways of doing things, biologists now speak of culture.. Shared intentionality, te vertalen als gezamenlijke intentie, maakt samenwerking mogelijk.

    Bacteriën
    naar boven
    Hier staat de voorpagina van de onvolprezen W-bijlage van NRC/H afgedrukt. De verklarende tekst:
    Een gewapende vrede tussen bacteriën. Dat is wat Amerikaanse en Israëlische wetenschappers zien in deze petrischaal. Ongestoord door rivalen, en zolang er voldoende voedsel voorhanden is, groeit een kolonie van de bacteriesoort Paenibacillus dendritiformis alle kanten op in kenmerkende boomtakken. Maar als twee nauwverwante stammen elkaar ontmoeten, dan groeien ze elk een andere kant op en ontstaat tussen de kolonies een 'no mans land'. Eshel Ben-Jacob van de universiteit van Tel Aviv ontdekte dat een eiwit dat onder normale omstandigheden groei bevordert deze bacteriecellen doodt als de concentratie ervan erg hoog wordt. Dat is precies wat gebeurt in de zone waar de microben elkaar ontmoeten. Bacteriën die elkaar met gifstoffen te lijf gaan zijn niets nieuws, maar het eiwit dat zogt voor de gewapende vrede doodt alleen soortgenoten. De bacteriekolonies gedragen zich als verwante organismen die hun terrirorium afbakenen.
    Tekst en foto kunnen op twee niveaus worden beoordeeld. (1) Dit beeld levert een mooie illustratie van het verschijnsel "groep". Maar ook: (2) dit beeld toont dat op een zeer laag niveau van de evolutie groepsmechanismen zijn ingebouwd in de genen. Zouden soortgelijke mechanismen een rol spelen bij ons groepsgedrag?

    Voor en na
    naar boven
    Bezigheden, objecten, verschijnselen, cultuuruitingen, processen en wat al niet kunnen in twee categoriën worden ingedeeld. De eerste is die van de jager/verzamelaarstijd, de tweede van daarna. Als wij nu gaan bramen plukken op een mooie zomerdag, dan bedrijven we een bezigheid die de jager/verzamelaar ook heeft bedreven. Het eerste huis is (waarschijnlijk) gemaakt na het ontstaan van de landbouw, een hut kan door een jager/verzamelaar zijn gemaakt.
    Voor
    vergaderen
    oorlog
    leiderschap
    conformisme
    geloof
    kleding
    gereedschap
    Na
    tuinieren
    geld
    kerken
    individualisme
    loon
    mode
    leger
    Hoe moeilijk het is om te bedenken in welke kolom sommige begrippen thuis horen, is te illustreren met het "leger". Ik vermoed dat in een jager/verzamelaars groep sommige mannen in het bijzonder belast zullen zijn om het voortouw te nemen bij conflicten met andere groepen. Maar ik denk, ik denk!!, dat ze daarom niet vrijgesteld waren van andere taken, niet continu speciaal gekleed waren en waoens voortdurend bij zich droegen.

    Tit for tat
    naar boven
    Er is het enorme tit fot tat-probleem. Geven wij iets aardigs ten einde iets aardigs terug te krijgen?
    Tit for tat zou opgedeeld kunnen worden in diverse categoriën:
  • Echte tit for tat zou kunnen worden gedefinieerd als de tft waarbij de gift gelijkwaardig is aan wat men krijgt.
  • Handel zou kunnen worden omschreven als tat for tit. Ik geef iets uitsluitend op voorwaarde dat ik iets terugkrijg. Bij goede handel zijn beide partijen blijer met wat ze krijgen dan met wat ze hadden.
  • Er is de uitgestelde tit for tat, de ontvangst komt later dan de gift.
  • De tit wordt gegeven zonder een tat van de tegenpartij te verwachten, maar wordt gegeven wegens de maatschappelijke druk: de gift in de collectebus.


  • Centripetaal en centrifugaal
    naar boven
    Centripetaal is middelpuntzoekend; centrifugaal is middelpuntvliedend. Met deze twee begrippen zou de neiging kunnen worden onderscheiden van meer individualisme, centrifugaal, dan wel meer geneigd naar groepsvorming, centripetaal. Laat ik dit illustreren met een voorbeeld.
    Bij koorzang verenigen mensen zich in een groep die gezamenlijk en tegelijkertijd eenzelfde activiteit bedrijven. Het is een centripetale activiteit. Bij muzikale improvisatie schept de muzikant meestal alleen, muziek los van voorschriften. Het is een centrifugale activiteit. Hieronder staat een lijst van centrifugale en centripetale activiteiten, structuren, verschijnselen, enzovoorts, gerangschikt naar de twee begrippen centripetaal en centrifugaal.
    CENTRIPETAAL
    koorzang
    socialisme
    religie
    vereniging
    voetbal
    design
    CENTRIFUGAAL
    (muzikale) improvisatie
    liberalisme
    filosofie
    ??
    tennis
    kunst
    Ayn Rand
    naar boven
    ">

    Het bovenstaande interview is er één van drie delen, opgenomen in 1959. Ayn Rand was schrijfster. Ze vluchtte in 1926, 21 jaar oud, uit de voormalige USSR. Ze ontwikkelde een filosofische stroming, het 'Objectivisme'. Men zegt dat haar ideeën vooral Milton Friedman inspireerden tot zijn economische opvattingen die in Chicago School of Economics tot bloei kwamen. Maar dit citaat uit "Reason" een Amerikaans tijdschrift, geeft een ander beeld. Dit zegt Friedman in een interview met Reason: Ayn Rand had no use for the past. She was going to invent the world anew. She was an utterly intolerant and dogmatic person who did a great deal of good. But I could never feel comfortable with her. I don't mean with her personally--I never met her personally. I'm only talking about her writings. Maar het liberalisme, de kleine overheid, de gewenste vrijheid voor de markt zijn ideeën die beiden aanhangen. Hij zegt niet voor niets: "... did a great deal of good".
    Zij pleit voor een rationele moraal gebaseerd op het streven naar het eigenbelang van de mens. Iedereen heeft het recht op geluk en moet het zelf bereiken. Liefde voor anderen is gebaseerd op hun bijzondere eigenschappen. Altruïsme bestaat niet. Ze is volstrekt areligieus.
    Het is een vreselijke maar heldere en consequente levensbeschouwing. Het is nuttig om er kennis van te nemen omdat het zo verhelderend werkt. Met de areligieuziteit heb ik geen enkele moeite. Maar zeker wel met de verheerlijking van de rede. Nee, de rede is niet het alleen geldige of alleen ware. Maar de belangrijkste vergissing is het ontkennen van de mens als onderdeel van een gemeenschap, het ontkennen van de onderlinge afhankelijkheid, de onmogelijkheid van een mens om zonder anderen te functioneren. Die onderlinge afhankelijkheid uit zich natuurlijk onder andere in het in ons ingebakken en inmiddels aangetoonde altruïsme.
    Ongebreideld kapitalisme gebaseerd op het idee dat iedereen naar beste vermogen eigenbelang nastreeft met zo weinig mogelijk ingrijpen door de overheid, is een logische consequentie van Rand's filosofie. "Links" kapitalisme, het Rijnlands model, waarbij enige zorg om minderbedeelden wordt erkend, is een vis-noch-vlees opvatting. Dat betekent een tot niets verplichtende buiging naar medemenselijkheid die mondjesmaat wordt erkend.

    Ethiek
    naar boven


    De verwoesting van ecosystemen
    naar boven
    Wikipedia zegt: De ecologie bestudeert de dynamiek van de wisselwerking tussen organismen, populaties of levensgemeenschappen en de relaties tussen organismen, populaties, levensgemeenschappen of landschappen en de niet-biologische omgeving. De studie op het niveau van de soort heet ook wel autoecologie en op het niveau van de levensgemeenschap en ecosysteem heet gemeenschapsecologie of synecologie.... Een ecosysteem wordt gevormd door de wisselwerkingen tussen alle levende organismen en de abiotische omgeving. De term ecosysteem werd in 1935 door Arthur Tansley geintroduceerd. Voorbeelden van ecosystemen zijn een bos, maar ook de hele aarde. Sommigen beschouwen zelfs een potplant als ecosysteem. Onderdeel van een ecosysteem zijn afzonderlijke planten, dieren en micro-organismen en de onderlinge complexen die zij vormen, bijvoorbeeld in de vorm van levensgemeenschappen en populaties. Vaak ziet men ecosystemen als dynamische en functionele eenheden. Ik wil het hebben over ecosystemen van de mens.
    Er wordt veel gepraat en geschreven over het behoud van ecosystemen: de Waddenzee, de heidelandschappen, het laatste Europese oerbos in Polen, de regenwouden in Amazone-bekken. Ook de tuin is een ecosysteem. Met afgrijzen kan ik kijken naar nieuwe bewoners die alles wat groeit in hun pas verworven tuin rücksichtlos (laten) verwijderen tot deze in een woestijn is veranderd. En dan komen er volgens een PLAN, een ONTWERP, zich schrikachtig gedragende volwassen planten in de tuin, soort op soort gerangschikt. Als de leverancier en deskundige van het plantgoed zijn zin krijgt, dan worden deze planten ten behoeve van de omzet te dicht op elkaar gepoot, zodat ze in benauwenis zullen opgroeien.
    Enkele malen verwierf ik een tuin. Niet omdat ik zo ethisch of aardig ben, niet omdat ik zo ben opgevoed, niet omdat ik zoveel verstand van tuinen en planten heb, niet omdat ik het geld niet wil besteden, heb ik om te beginnen de tuin de tuin gelaten. Eerst kijken wat er groeit. En dan volgen langzaam de ingrepen : hier er iets uit en daar er iets bij. Aarzelen bij het opgroeiende onkruid. Misschien is het wel iets leuks. Mijn tuinen zijn dus rommelig.

    De mens heeft zich ecosystemen geschapen waarin andere organismen slechts een marginale rol spelen: tuinen en parken als decoratie en voor kortdurend verblijf, huisdieren als aanvulling dan wel vervanging van menselijk gezelschap, beesten en planten, derivaten van natuur, in agrarische bedrijven ten behoeve van onze voedselvoorziening. De meeste mensen leven in een soortarme natuur: wat vliegen en muggen en verder grote aantallen onzichtbare organisme: van bedwantsen tot bacteriën.
    Maar natuurlijk kan toch van de ecologie van een mensengemeenschap gesproken worden. Men zou kunnen spreken over het ecosysteem gezin. De ecologie van dit systeem beschrijft de interactie tussen de gezinsleden en de niet-biologische omgeving, zie de Wikipedia definitie. Zo zijn alle groepen ecosystemen: verenigingen, de staat, bedrijven, ziekenhuizen, scholen, NGO's, instituten, BV's, universiteieten, enzovoorts.
    Al deze ecosystemen wijzigen voortdurend, met opzet of niet. Sterfte van mensen, dalende omzet, uitvindingen, interne en externe conflicten leiden tot wijzigingen, versterkingen en verzwakkingen van deze ecosystemen. Soms kan zo'n ecosysteem te gronde gaan. Als de opgroeiende kinderen het huis verlaten en één van de ouders sterft, is dat gezin verdwenen. Een faillisement (zonder doorstart) leidt tot het verdwijnen van een bedrijf. (Zo verging het de DSB-bank).
    De menselijke ecosystemen, van ziekenhuis tot werkplaats, van ministerie tot verkeersbureau, bestaan meestal uit één of meerdere locaties, een kantoor, een loods, een aantal fabieken, met daarin steeds terugkerend een aantal mensen. Die mensen zijn dikwijls werknemers. Dit soort ecosystemen zijn onmisbaar voor de mensheid. Zonder deze ecosystemen kan de maatschappij niet functioneren. We dienen met deze ecosystemen net zo voorzichtig om te gaan als die in (wat wij noemen) de natuur.

    In de moderne bedrijfsvoering gebeurt dit niet. Een bedrijf "stoot een onderdeel af". Dat "onderdeel" is een aantal gebouwen waarin mensen werken, de klanten die goederen van het onderdeel krijgen, leveranciers die goederen en diensten leveren. Het meeste waardevolle onderdeel van het "onderdeel" is de groep mensen met een rijke schakering van kwaliteiten die in een organisatiestructuur samenwerken volgens patronen die misschien jaren ontwikkeltijd nodig hebben gehad. "Het onderdeel wordt afgestoten." Het is een vorm van mensenhandel waarvan ik niets begrijp. Voetballers worden ook verkocht, maar verdienen daar zelf aan. Bij het handelen in bedrijven of onderdelen daarvan wordt voornamelijk gehandeld in mensen. Wat een absurditeit dat iedereen spreekt van vrijheid en democratie. Dat hier sprake is van slavenhandel blijkt uit de vervolgstappen. Het "bedrijfsonderdeel" wordt gefuseerd of afgeslankt of doorverkocht of gereorganiseerd of ontmanteld. Mensen dus worden gefuseerd, afgeslankt of doorverkocht of gereorganiseerd of ontmanteld. Dat laatste betekent ontslag. Zij hebben daar niets over te zeggen. Na soms jarenlang te hebben deelgenomen aan groepsprocessen die het hart van een bedrijf en de kern van hun bestaan vormden, worden zij als vee verhandeld, verplaatst en/of beroofd van werk en inkomen. Iedereen vindt het normaal, vanzelfsprekend, noodzakelijk, logisch.

    Eigenlijk wil ik dit misdadige gedrag van CEO's en andere bestuurders, aangemoedigd door aandeelhouders niet bespreken vanwege de kwalijke consequenties voor individuen. Wat zij bij het afstoten, fuseren, afslanken of ontmantelen ook doen is de structuur van de groep schade toebrengen of afbreken. Zij veroorzaken een ecologische verwoesting zoals sommige nieuwe tuineigenaren dat met hun nieuwe tuin doen. Het is merkwaardig dat economen zich niet het hoofd breken over de fenomenale kosten van dit soort reorganisaties. Ook niet-rendabele bedrijven herbergen in de samenwerkingsverbanden tussen de mensen die er werken een niet te becijferen waarde. Enthousiaste commentaren worden in economie bijlages van kranten geschreven over de noodzaak van het opruimen van niet-rendabele bedrijfsonderdelen. De absurditeit van dit soort processen begint met het concept van het eigendom. Mensen zijn eigenaar van bedrijven en zijn daarmee eigenaar van het werkzame leven van de mensen die in de bedrijven werken. In plaats van met ontzag voor het ecosysteem, in overleg met de mensen die er werken langs wegen van geleidelijkheid veranderingen te bewerkstelligen, worden op grote afstand op basis van uitsluitend financiële cijfers grove ingrepen bedacht. Het is niet alleen immoreel, het is ook nog stom.

    John Gray heeft een bij mij al aanwezige gedachte enorm versterkt. Inderdaad is een keuze dus al die ismes, kapitalisme, liberalisme, communisme, socialisme, in feite steeds dezelfde keuze van de vooruitgangsgedachte. Deze politieke systemen zijn even zovele religies die de belofte van eeuwigdurend heil in de (verre) toekomst verkondigen. Als de maatschappij via methode X inrichten dan zal dat leiden tot welvaartsgroei, voorspoed, vrede, enzovoorts.
    Mijn afwijzing van het harde kapitalisme betekent niet dat ik nu een alternatief ga verkopen. Dat is er niet of ik weet het niet. Zoals Gray schrijft over de mythe van Sisyphus is anders dan Camus in zijn Mythe van Sisyphus. Maar de Sisyphus die verplicht is tot vruchteloze arbeid is waarschijnlijk een goed beeld om de menselijke conditie te beschrijven.