Het Lidmaatschap

Hier volgt een experiment. Ik wil een boek schrijven, een pretentieuze onderneming voor een nog veel pretentieuzer boek. Tot dusverre bestaat de tekst uit een verzameling losse paragrafen in redelijk willekeurige volgorde. Het zal vele jaren duren voor de tekst van Het Lidmaatschap klaar is.

Eerste bijdrage: 24 november 2008
Meest recente bijdrage: 29 augustus 2009

Inleiding
Deze jonge vrouw, een soldaat in het Israëlische leger, illustreert het lidmaatschap op overduidelijke wijze. Ze is soldaat, dus lid van het leger. Dat betekent dat zij zich onderwerpt aan de regels van deze groep. Zij maakt haar lidmaatschap kenbaar maakt door het dragen van een uniform. Uniform = één vorm: alle leden van de groep dragen dezelfde kleren en maken zich zo identiek aan elkaar. De individualiteit wordt ondergeschikt aan het lidmaatschap. De groep, het leger, heeft een sterke leiderschaps-structuur, waardoor loyaliteit afgedwongen kan worden. De groep heeft als specifieke taak de belangen te verdedigen van een grotere groep, het eigen volk, en dat door middel van geweld. Het geweld richt zich op de vijand, andere mensen die niet individueel maar alleen als groep vijand zijn. Dat geweld de grondslag is van het groepslidmaatschap wordt duidelijk door het wapen dat zij draagt en de pose die zij aanneemt. Het betekent dat de jonge vrouw functioneert in een structuur die al bestond in de tijd van en onderdeel was van de cultuur van de jager/verzamelaars. Er is dan nog het anachronisme dat het een vrouwelijke soldaat is. Dat klopt (waarschijnlijk) juist niet met de cultuur van de jager/verzamelaar. De natuurlijke drager van de voortplanting legt die taak naast zich neer om die van de strijd, typisch een mannelijke bezigheid, op zich te nemen. De vrouw draagt een speelgoedbeest. Ieder mens weet dat dit voornamelijk van textiel vervaardigde voorwerp een (niet bestaand) beest verbeeldt en begrijpt ook dat dit denkbeeldige beest voor de soldaat de wellicht belangrijke rol van gezelschap, kameraad, groepsgenoot vervult. De vrouw creëert haar eigen kleine groep, een extra veiligheid.
Paragrafen:
  • Inleiding
  • Voetbal
  • Voorbeelden
  • Recepties
  • Een anecdote
  • De schoolklas
  • De bronnen van groepsvorming
  • De Mensentuin van Desmond Morris
  • Groepsvormingsdrift
  • Het boek Spraakmakers
       van Grard Westendorp
  • Amerika
  • Recessie
  • Bewijs
  • Niebuhr
  • Woorden
  • Kleding
  • Lidmaatschap
  • Het individu
  • Ras
  • Huisdieren
  • De quintessens
  • Geestelijke gezondheid en lidmaatschap

  • Inleiding
    naar boven
    Dit boekje is in enkele zinnen samen te vatten. De mens nu is een jager/verzamelaar, die leeft in een omgeving die door eigen handelen zo snel is veranderd dat de mens er niet genetisch op is aangepast. Uit dit besef kunnen regels afgeleid worden, die behulpzaam zijn bij het inrichten van de maatschappij. Deze regels overstijgen de regels zoals deze worden afgeleid uit de grote godsdiensten, filosofische beschouwingen en politieke keuzes.

    De ideeën hier gepresenteerd zijn behoorlijk voor de hand liggend. Inmiddels heb ik, in onverwachte hoek, ontdekt dat al uitermate verstandig geschreven is over hetzelfde onderwerp door Desmond Morris in "De Mensentuin". Een hoofdstuk zal ik dus wijden aan dit boek. Dat hoofdstuk zal vooral uit zijn citaten bestaan.
    Als andere inspiratiebronnen gebruik ik vooral boeken voor de leek geschreven door deskundigen die daarnaast veel wetenschappelijke publicaties op hun naam hebben staan. Als eerste moet ik echter een boekje noemen dat ik als kind las, dat toen veel indrukte maakt en voor altijd mijn wereldbeeld heeft beïnvloedt. Ik heb het per slot van rekening weer via de tweedehandsboekhandel weer teruggevonden.
  • "Patava de holenjongen" van C. Wilkeshuis
  • de boeken van mensapengedragsonderzoeker Frans de Waal
  • prachtig artikel over evolutionaire psychologie door Leda Cosmides and John Tooby
  • essays van John Gray
  • "De naakte aap" van Desmond Morris, al heel oud
  • Spraakmakers van Grard Westendorp
  • "De eerste mensen - Ontstaan en ontwikkeling van de mensheid tot 10.000 jaar voor Christus.", een populair wetenschappelijke uitgave van Natuur & Techniek
  • De Spraakmakers. Van pratende aap naar bewust denkende mens door Grard Westendorp
  • Dageraad, hoe taal de mens maakte van Rik Smits

  • Uit deze opsomming blijkt dat de onderbouwing van mijn ideeën zwak is. Te weinig research heb ik tot dusverre gedaan naar de huidige kennis over het leven van de jager/verzamelaar.

    Voetbal
    naar boven
    (Pas nadat ik deze paragraaf geschreven had, bleek me dat Desmond Morris over dit onderwerp het boek .... geschreven heeft. Ik heb het tot dusverre nog niet gelezen
    Het thema van dit boek kan prachtig geïllustreerd worden met voetbal. Voetbal is een sport, vrijetijdsbesteding niet essentiëel voor het functioneren van onze maatschappij, zo lijkt het en zo heb ik altijd gedacht. Een voetbalwedstrijd is een strijd, een symbolische strijd, tussen twee gelijkwaardige groepen mannen (of vrouwen). De strijd is symbolisch omdat, afgezien van de salarissen van professionele spelers, de strijd niets oplevert. De strijd is symbolisch omdat voorafgaand aan de strijd alle mogelijke voorzorgen worden genomen om te waarborgen dat de strijdende partijen ongeveer gelijk in sterkte zijn. Via ingewikkelde structuren van verenigingen en de landelijke of internationale voetbalcompetitie wordt ervoor gezegd dat voetbalspelers tegenover elkaar staan die ongeveer van gelijke sterkte zijn. Verder zijn er nauwkeurig omschreven regels, zoals de regel dat de teams even groot moeten zijn en dat de strijd wordt beperkt in tijdsduur, die worden gehandhaafd door een boven de partijen geplaatste toezichthouder, de scheidsrechter.

    Bij het voetballen zijn er een aantal vanzelfsprekendheden die onderbelicht zijn. Het is de bedoeling dat de tegenpartij verliest. Verlies van de ene partij betekent winst voor de andere. Winst of verlies wordt uitsluitend bepaalt door de doelpunten. Het maken van doelpunten wordt gereguleerd door een aantal regels, geschreven en ongeschreven. De leden van de ene partij, de teamleden, hoeven niet met elkaar bevriend te zijn maar vertonen een zekere mate van loyaliteit tegenover elkaar. Zij helpen elkaar, bevorderen dat zij gezamenlijk de strijd winnen. De tegenstanders zijn allemaal in gelijke mate tegenstander. In het streven naar winst is het volgens de regels niet geoorloofd de tegenstander schade toe te brengen. Toch gebeurt het. Het toebrengen van schade, lichamelijke schade, wordt ook door vriend en vijand als staande praktijk geaccepteerd. Voortdurend worden de grenzen opgezocht van wat wel of niet volgens de regel mag. Iedereen vindt het vanzelfsprekend dat de medestander, de teamgenoot, ontzien wordt. De woede tegenover de teamgenoot die een domme fout heeft begaan, mag zeker niet leiden tot lichamelijke schade. Dat zou iedereen als wangedrag bestempelen. Wie tegenstander en wie teamgenoot is in informele voetbalwedstrijden, kinderen op een veldje, mannen op een zondagmiddag in het park, kan geheel willekeurig zijn. Simpel "poten" en kiezen is genoeg om een scheiding aan te brengen tussen de mensen die je tegen de schenen mag schoppen en diegenen bij wie je dat niet mag doen.

    Voetballen is een symbolische bezigheid. Symbool voor wat ???? Voetballen heeft slechts tot doel te beleven deel te zijn van een groep die een andere groep ontmoet en daarmee in botsing komt. Dat gevoel als groepslid deel te nemen aan een strijd, daar hebben wij mensen behoefte aan, omdat wij genetisch geprogrammeerd zijn in groepslidmaatschap. Wanneer vond dit genetisch programmeren plaats? Het is gebeurd voor, ver voor het ontstaan van de mens. Apen leven in groepen die elkaar beconcurreren en bij tijd en wijle elkaar bestrijden. Misschien zijn de wortels nog veel verder terug in de evolutie, in het samen optrekken van mieren en bijen, in de vorming van scholen sardientjes. Natuurlijk is te beargumenteren dat de sardientjes evolutionair voordeel hebben aan het zwemmen in groepen. Dat argument interesseert me niet. Het gaat erom dat ergens in dat kleine breintje van de sardien de kiem is gelegd voor het gevoel deelgenoot te zijn van een groep.

    De groep levert bescherming, ook voor de primitieve mens. En daarom is de groep net zo belangrijk, misschien zelfs belangrijker dan de partner. Daarom heeft de mens een niet te beteugelen aanvechting tot een groep te behoren. Dat groepsgevoel heeft vergaande consequenties voor het functioneren van de individuele jager/verzamelaar en het functioneren van de clan waartoe hij behoorde. Dat groepsgevoel heeft evenzo vergaande consequenties voor de moderne burger en de groep waartoe hij behoort of denkt te behoren. Die hypothese is de grondslag van dit boek. (En als dat niet waar is, is dit boek dus niet waar! Maar ondertussen blijkt Desmond Morris al in 1981 een boekje geschreven te hebben met de titel The Soccer Tribe dat waarschijnlijk uitgebreider hetzelfde schetst als hierboven)

    Voorbeelden
    naar boven
    Laat ik hier eens wat groepen noemen:
        voetbalelftal
        gezin
        familie
        buurt
        sportvereninging
        politieke partij
        politieke overtuiging
        natie
        vriendenkring
        orkest
        ziekenzaal
        koor
        rotary
        vergadering
        publiek
        bioscoopzaal vol mensen
        vakgenoten
        congres
        bus vakantiegangers
        klas
        militair peleton
        leger
        bedrijf
        mensheid
        fabriek
        maffia

    Nu volgt een opsomming van verschijnselen die begrepen kunnen worden uit onder andere de neiging groepen te vormen:
        mode
        industrie
        socialisme
        kunststromingen
        conformisme
        roem
        merken
        stadsvorming
        racisme
        grenscontròle
        materialisme
        

    Recepties
    naar boven
    Ik loop rond op een ontvangst, een feestje, een opening, een congres. De mensen staan en lopen. Er zijn gasten of bezoekers en er is bedienend personeel. De gasten staan te praten in groepjes van twee tot vijf personen. Dat zijn fysieke groepen, maar het zijn ook mentale groepen. Zo'n groepje vormt een eenheid. Binnen zo'n groep praat één persoon. Als een tweede gesprek ontstaat, als een tweede persoon gaat praten, breekt het groepje al snel op. De band tussen de groepsleden is die van de gedeelde conversatie. De conversatie is aan strenge regels onderworpen. De spreker toont duidelijk moeite zich verstaanbaar, helder en boeiend uit te drukken. De spreker vermijdt te lang te praten, te lang is niet erg lang. Het begrenst, maakt het dikwijls onmogelijk, een mededeling van enig belang te doen. Maar men dient het recht van de anderen te respecteren. Dat recht is het recht tot praten. De spreker kan enige verlenging van de spreektijd verkrijgen. De spreker moet daarvoor de belangstelling van de luisteraars in de gaten houden, moet boeiend zijn door de aard van zijn bijdrage, door humor of gruwel in zijn bijdrage toe te voegen, door te refereren naar de luisteraar of luisteraars. De luisteraar onderwerpt zich ook aan regels. Oogcontact is van belang. Hij toont zijn luisterende houding, knikt regelmatig en glimlacht op tijd. Voor mensen, die zich systematisch niet aan deze regels houden, dreigt de vorming van een negatief imago.Men kan zich uit de groep losbreken, maar dat moet op het juiste moment en met de juiste formulering gebeuren. "Je hebt volkomen gelijk. Ik haal nog even een glaasje drinken", is een uitstekende tekst.
    Een buitenstaander, dat is iemand die niet tot de groep behoort, is zich op grond van zijn fysieke positie bewust van zijn mentale positie: buitenstaander. Hij kan proberen deel te worden van de groep. Daarvoor moet hij zich min of meer fysiek in de groep dringen en dan een gepaste tekst uitspreken. Eigenlijk moet hij om positieve ontvangst in de groep vragen: "Ik kom er even bij staan." Meestal zullen de groepsleden de nieuweling welkom heten, zij geven toestemming. Maar ook hier kan veel niet, men dient niet in te breken in een tweegesprek dat duidelijk voor slechts die twee mensen is bestemd. Goed, men zal welwillend zijn maar het voelt niet prettig.
    Er gebeuren vreemde dingen als men zich niet aan regels houdt. Stel dat één van de mensen op de ontvangst zich tot één van de mensen van het bedienend personeel wendt met de opmerking: "Leuk u hier ook weer te zien. U was hier vorig jaar toch ook? Het is weer een heel interessant congres, vindt u ook niet?" Het meisje met de schaal hapjes zal vriendelijk knikken en zich snel uit de voeten maken. Heeft die man niet begrepen dat hij tot een andere groep behoort, zal zij denken. Juist dit soort vervreemdende situaties wordt gebruikt door cabaretiers en soortgelijke vrolijke mensen.

    Niet overal zullen dezelfde gedragsregels gelden. Plaats en tijd zijn zoals altijd van belang. In een ander land en/of een andere tijd gelden andere of afwijkende regels. De regels zijn dus cultureel bepaald. Cultureel betekent aangeleerd. Maar ik ben ervan overtuigd dat a priori onze gedragsgenen dit soort gedrag mogelijk maken.

    Vele jaren geleden heb ik mij een bepaald gedrag aangewend voor dit soort gelegenheden. Als ik niet als vanzelfsprekend in gesprek kom met bekenden, wacht ik af. Ik sluit me niet onaangekondigd bij een groepje conversanten aan. Ik wil de dreigende eenzaamheid niet oplossen door mij op te dringen naan een groep die mij wellicht niet wenst. Voer voor psychologen. Toch levert het aardige resultaten. Daar sta ik dan in een zaal, alleen, omringd door vrolijk kwetterende groepjes. Ik kijk om me heen. Nee, er staan geen andere mensen alleen te staren. Ik voel me ongemakkelijk, nee: eenzaam. Maar ik houd vol. En dan, soms duurt het wel lang, gebeurt er iets. Iemand stapt op mij af. En die persoon die WIL dat dus, misschien wel uit medelijden. Maar toch. Meestal is die persoon een vrouw - en dat moet nader besproken worden. Maar laat ik eerst vaststellen: het is onaangenaam om alleen te blijven in een menigte mensen die met elkaar staan te praten. Het veroorzaakt sterke gevoelens van eenzaamheid.

    Daarom moet het een tantaluskwelling zijn als alleenstaande naar bioscoop, concert of theatervoorstelling te gaan. Thuis is de alleenstaande zonder problemen alleen. Maar voor de aanvang van de voorstelling en in de pauze is de alleenstaande alleen staand terwijl anderen niet alleen staan. Hier is het op grond van onze conventies niet mogelijk zich aan te sluiten bij andere groepen en hier is de kans dat anderen je benaderen te verwaarlozen. Golven van eenzaamheid overspoelen je. Je hoort niet bij een groep.

    Een anecdote
    naar boven
    Ooit ging ik, alleen, een meerdaagse wandeling maken in Engeland. Op de boot voelde ik mij zo overweldigend eenzaam dat ik de neiging kreeg over de railing te springen. In Dover sliep ik een uiterst eenzame nacht in een volle slaapzaal met dubbele bedden in, wat toen nog heette, jeugdherberg. Na een dag wandelen door de North Downs belandde ik in een bed & breakfast in Canterbury. Na een bezoek aan de kathedraal kocht ik een kaartje voor een toneelvoorstelling. Tot mijn verbazing bevond ik mij 's avonds, gekleed in vakantiekleding, in een zaal vcl mensen in avondkleding: een galavoorstelling door een amateurtoneelgezelschap. De eerste pauze heb ik rond gedrenteld. De tweede pauze bleef ik zitten. Achterin de zaal stond iemand te zwaaien. Ik werd, bleek na enige tijd tot mijn stomme verbazing met handgebaren opgecommandeerd. Volstrekt alleen in het buitenland en dan iemand die op zo'n merkwaardige plek op zo'n merkwaardige manier kontakt zoekt. Even later stond ik te praten met een vrouwelijke officier van de politie die vroeger helikopterpiloot was geweest. De vriendelijke conversatie had verder geen consequenties. Wat moet een mens hier van denken? Een verklaring komt later.

    De schoolklas
    naar boven
    Laat ik nog een groep uit de rij groepen hierboven bespreken. Een schoolklas is een groep van 20 tot 30 kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd die gedurende hun schooltijd een jaar lang, soms zelfs een aantal jaren, gezamenlijk les krijgen. Aan het begin van het schooljaar treffen de kinderen elkaar en bestaat de groep uit een verzameling onafhankelijke personen. Maar al gauw blijkt de som der delen meer te zijn dan de afzonderlijke delen opgeteld. De klas krijgt zijn eigen natuur, karakter, eigenschappen. Er zijn leuke, onrustige en luie klassen, klassen waarbinnen de kinderen zich gelukkig voelen en opbloeien en klassen met inwendige strijd, controverses, conflicten en pesterijen.
    Ook hier is sprake van een leider: de leraar. Dat onvolwassenen geleid worden door een volwassene is een natuurlijke zaak. In principe is het leiderschap geen probleem, wordt de leiding geaccepteerd en wordt gedaan wat de leraar zegt. Natuurlijk komt hier het beeld voor ogen van de slechte leraar die geen orde kan houden. Toch is juist het merkwaardige dat de wanorde zich over het algemeen aan zeer strikte regels houdt. Zelden of nooit verlaat de hele klas het lokaal of verstopt zich integraal onder de banken. Het zou zo makkelijk kunnen zijn om een werkelijk slechte leraar het lesegeven volstrekt onmogelijk te maken. Maar zover komt het meestal niet. De algemeen geaccepteerde normen voor schoolgedrag beletten zulke uitwassen. Dat betekent dat de leerlingen zich er collectief van bewust zijn onderdeel te zijn van een andere, grotere groep, die van de schoolgemeenschap.
    Interessant is een verschijnsel dat optreedt met kinderen in de puberteit. Iedere school kent belhamels, raddraaiers, comotie veroorzakende types. In zo'n klas met zo'n belhamel zal de belhamel het gezag van de leraar aanvechten. Als een jonge chimpansee test hij in hoeverre hij de leiding over kan nemen. Daarin kan hij bij een zwakke leraar een eind komen.

    De bronnen van de groepsvorming
    naar boven



    uit wikipedia

    Ongeveer 7 miljoen jaar geleden splitsten de protomensen of hominiden zich af van de homonoïdenstamboom. De hominiden zijn de mensachtigen die behoren tot de groep hominoïden die naast de mensachtigen ook de mensapen omvat. (Definities van hominiden en hominoíden zijn niet overal hetzelfde.) De wat Grard Westendorp noemt de Vroege Mens was circa 1,20 meter groot, woog 30 à 40 kg en had dezelfde herseninhoud als de huidige chimpansee. Deze Vroege Mens kon rechtop lopen. Waarschijnlijk woonden er langere tijd slechts een 100 000 in Centraal Oost-Afrika. Van deze Vroege Mens ontstonden vele varianten die alle zijn uitgestorven. De stamboom wordt door groeiende kennis over de Vroege Mens steeds ingewikkelder en uitgebreider. Er zijn vele vondsten van min of meer van elkaar afwijkende soorten die op verschillende manieren aan elkaar gerelateerd kunnen worden. De beroemdste was de Neanderthaler. Richard Dawkins zei ooit: "Het is puur geluk dat die genante tussenvormen zijn uitgestorven." Het leven van de Vroege Mens draaide om eten, zich voortplanten en onheil vermijden. De Vroege Mens leefde in groepen en sprak niet maar kende wel sociale netwerken met bondgenootschappen, vetes en leiders. Kenmerkende seksuele eigenschappen, maar niet alleen bij de Vroege Mens voorkomend zijn: niet-reproductieve seks, paren met gezichten naar elkaar toe en het vrouwelijk orgasme.
    De mensensoort homo sapiëns, dat is onze soortgenoot, bestaat sinds ongeveer 200 000 jaar. Snds die tijd zijn onze hersenen niet meer in omvang toegenomen.
    De homo sapiëns is ontstaan in Oost-Afrika. Uit een artikel van Hendrik Spiering in NRC/Handelsblad citeer ik:
    Rond 125.000 jaar geleden, toen het klimaat veranderde door de komst van een nieuwe ijstijd, trokken groepen naar het noorden. Aanwijzingen daarvoor zijn de resten van de strandcultuur aan de Eritrese kust ca. 125.000 jaar geleden. Uit de periode rond 90.000 jaar geleden zijn de skeletresten van Homo sapiens in Israël gevonden. Deze trek uit Afrika zette echter niet door, daarna verdween de moderne mens er weer. Pas ca. 60.000 jaar geleden begon de definitieve trek uit Afrika en de kolonisatie van de rest van de wereld. In Europa leefden toen al een paar honderdduizend jaar Neanderthalers, en in Azië nog altijd Homo erectus, maar die mensensoorten zijn uitgestorven.
    De mens die uit Oost-Afrika migreerde zal een zwarte zijn geweest. In de laatste 60 000 jaar moeten dus de menselijke rassen zoals we die nu kennen, zijn ontstaan. Vooral de aanwezigheid van Neanderthalers tot gedurende enkele tienduizenden jaren geleden en dus gedurende vele tienduizenden jaren in hetzelfde gebied als homo sapiëns is een fascinerende gedachte. De twee verwante soorten, mensen en de Neanderthalers, moeten elkaar ontmoet hebben, hebben wellicht gevochten. Is het voorstelbaar dat de mens Neanderthalers als slaaf of huisdier heeft gehouden?

    Circa 200 000 jaar was de mens jager/verzamelaar, maar toch zullen in die periode zekere culturele ontwikkelingen hebben voorgedaan. Als ik het hier over culturele ontwikkelingen bedoel ik door velen beoefend gedrag, dat niet genetisch doorgegeven wordt aan volgende generaties, maar dat wordt doorgegeven door opvoeding of vóórleven.

    Rond circa 10 000 jaar geleden begon zich hier en daar moderne cultuur te ontwikkelen. De belangrijkste ontwikkeling is waarschijnlijk de overgang naar landbouw. In vervolgens heel korte tijd, 10 000 jaar maximaal dat wil zeggen 400 generaties, heeft die moderne cultuur zich ontwikkeld tot de maatschappij waarin wij nu leven. Over de woorden "moderne cultuur" moet toch iets meer gezegd worden.
    nog niet af

    De Mensentuin van Desmond Morris
    naar boven

    De Mensentuin is brilliant en zijn tijd ver vooruit, al in 1969, een jaar na De Naakte Aap. Morris studeerde bij Niko Tinbergen, maar werkte ook als schilder als televisieprogramma maker. Het moet een geniale man zijn. Hoewel zijn boeken heel succesvol zijn, wordt weinig naar hem verwezen. Ik vermoed dat veel van wat hij schreef ietwat speculatief was, waarbij hij niet alles wetenschappelijk volledig verantwoorden. Een man naar mijn hart dus.

    De hoodstukken in het boek zijn:
  • Stammen en super-stammen, leven in de menselijke dierentuin
  • Status en super-status, de voortdurende strijd om dominantie
  • Seks en super-seks, van onschadelijke uitlaatklep tot gevaarlijke agressie
  • Interne groepen - externe groepen, het gevecht tegen de bevolkingsexplosie
  • Fixatie en mal-fixatie, de verwarrende banden in de mensentuin
  • De stimulans-strijd, op zoek naar geluk
  • De kinderlijke volwassene, het geheim van de creativiteit

  • Hoewel het hele boek(je) uiterst lezenswaardig is, zijn hier van belang de stukken die handelen over groepen en dus stammen

    Hier is het begin van De Mensentuin.

    mensentuin 13 bewerkt.jpg

    De jager/verzamelaar werd zo'n 10 000 jaar geleden landbouwer en zelfs stedeling. Morris introduceert het begrip "superstam".

    mensentuin 19 bewerkt.JPGmensentuin 20 bewerkt.JPG

    De vragen die Morris in het volgende citaat stelt over het voortbestaan van onpersoonlijke superstammen zijn terecht. De antwoorden die hij verderop levert, heb ik niet overgenomen omdat ik zijn meningen niet helemaal deel.

    mensentuin 22 bewerkt.jpg

    De belangrijkste zinsnede in onderstaande tekst is "sociale samenwerking naar buiten, social wedijver binnen de groep". Morris heeft voortdurend heel erg gelijk maar dus juist regelmatig ook niet. De ondertoon is toch "de mens van nature slecht", een opvatting die de laatste tijd mede door Frans de Waal aan het vernanderen is. Er staat verder een verwijzing naar een school vissen. Ik denk dat zover terug en misschien nog verder al de aanleg voor de groepsvorming te vinden is.

    mensentuin 23 bewerkt.jpg

    In het volgende citaat uit De Mensentuin introduceert de subgroepen of pseudo-stammen, die meer overeenkomen met de oude stamgroep omdat men elkaar kent. Morris introduceert hier ook de dubbele moraal. Ik wil later een onderscheid maken tussen wat ik zou kunnen noemen een genetische en een culturele moraal.

    mensentuin 24 bewerkt.JPG

    LET OP, prachtig. De erfzonde is uitgevonden om ons menselijk tekort tegenover de superstam te compenseren, legt Morris uit. En daarom is er, zie verder, de culturele moraal nodig.

    mensentuin 25 bewerkt.JPG
    mensentuin 26 bewerkt.JPG
    mensentuin 27 bewerkt.JPG

    Morris is brilliant maar gaat me iets te ver hier. Natuurlijk doet de misdadiger in de super-stam wel wat zijn instinct hem ingeeft. Hij zorgt voor zichzelf en omdat hij de onbekende superstamgenoten niet kent, heeft hij er ook geen boodschap aan. Hoe dat voorkomen kan worden, dat wil ik later nog bespreken.
    De 'wet van het instict' is helemaal lariekoek. Natuurlijk ontwikkelen maatschappijen/superstammen, net zoals de oude stamgroepen, een cultuur die nooit identiek zal zijn met die van andere maatschappijen/superstammen. Natuurlijk ontlenen de stamleden er een identiteit aan. De superstamleider zou geen leider zijn als hij niet naar die cultuur zou verwijzen, maar dat is geen gemene truc, dat is puur natuur.

    Groepsvormingsdrift
    naar boven
    De mens heeft een grote drang tot het vormen van groepen. Die drang is net zo groot als de voortplantingsdrang en de drang om zich te voeden en te laven, beweer ik. Die drang is er ook bij dieren: de sardientjes, de bijen, de mieren, de apen. Maar niet bij allemaal. Roofdieren doen het anders. En hoewel genetisch niet ver van ons verwijderd vormt de orang-utang een uitzondering onder de mensapen. De orang-utang schijnt een Einzelgänger te zijn. Gorilla's, chimpansees en bonobo's vormen wel groepen, maar ieder op eigen wijze. Zo is de silverback bij de gorilla's een uitgesproken leider, en is dat meer dan leiders bij de andere twee soorten. De mens, de meest flexibele,de slimste van alle mensapen vertoont een extreme veelvormigheid van gedrag.

    Bij de mensapen is er beperkt aantal groepssoorten ofwel typen groep. Er is de groep die rondtrekt. daarbinnen zijn er verwanten, moeder met kind, de vrienden en vriendinnen. Waarschijnlijk heeft de jager/verzamelaar soortgelijke groepsvorming bedreven. De moderne cultuur heeft de groepsvormingsdrift (het is aardig om hiervan het acronym te gebruiken: gvd) gebruikt op duizelingwekkend veel manieren. De moderne maatschappij, beweer ik hier even kort door de bocht, zou nooit de ons bekende vorm hebben gekregen zonder groepsvormingdrift. Ik ga nog een stap verder: zonder groepsvormingsdrift zou nooit een moderne maatschappij mogelijk zijn. We kijken met bewondering naar de domme mieren, die gezamenlijk een zo intelligente gemeenschap kunnen vormen. Maar we kunnen er zelf ook wat van. De individuele intelligentie van de mens is meestal beperkt en daarom is het des te verwonderlijker dat de mens in staat is auto's en tv's in enorme aantallen te maken.

    Het boek Spraakmakers van Grard Westendorp
    naar boven
    Grard Westendorp in Spraakmakers beschrijft het denkproces van een leeuw die met een kudde gnoes in de buurt afziet van de jacht. Het denkproces bestaat uit een vijftal stappen:
  • hendel: informatie van buiten roept een beeld uit het geheugen (de gnoe)
  • representatie: is een pakket relevante informatie over hier de gnoe
  • platform: de reperesentatie opent een platform waar voor de besluitvorming nuttige kennis ('er is een hongersensatie?') en informatie ('zijn andere leeuwen beschikbaar voor hulp?') wordt verzameld
  • koppeling: tussen de diverse kennisbestanden op het platform wordt verband gelegd
  • berekening: afweging die leidt tot de beslissing, hier: wel of geen jacht op de gnoe.

  • Nogmaals Westendorp: Een hond ligt in de buurt van de etenstafel. Als later de tafel wordt opgeruimd blijkt de hond kippenboutjes van één van de borden gepakt te hebben. De hond betrapt, kijkt schuldbewust.
    Een duif kan categoriën leren en voorwerpen dienovereenkomstig rangschikken: rond bij rond, rood bij rood. Chimpansees ontbladeren takjes op één plek om hem vervolgens op een andere te gebruiken. Katten leren tweemaal zo snel objectpermanentie (je weet dat iets aanwezig is, ook als het aan het oog onttrokken is). Chimpansees zijn in staat het handelsreiziger probleem op te lossen: een chimpansee kiest de kortte route langs eerder lekkere hapjes, verstopt in aanwezigheid van de chimpansee. Een rangschikkingstest opgesteld door onderzoeker Vauclair werd door bavianen sneller uitgevoerd dan door mensen. Apen blijken een kosten-baten analyse te kunnen maken.
    Westendorp's beschrijving van de dierlijke denkprocessen doet me realiseren hoe dicht we bij de dieren staan. Het grootste deel van ons leven functioneren we op een denkniveau dat slechts weinig hoger is dan sommige dieren.

    Amerika
    naar boven
    In de laatste tienduizend jaar, de periode waarin zich de moderne cultuur heeft ontwikkeld, is tekort voor genetische aanpassingen. Daar is echter wellicht een uitzondering op. Altijd zullen volkeren aan het reizen en trekken zijn geweest. In de laatste paar honderd jaar is daar een bijzonder soort volksverhuizing bijgekomen: de emigratie. In enkele emigratielanden heeft zich een tragische ontwikkeling voorgedaan. In Australië, Canada en de USA is de autochtone bevolking zowat helemaal uitgemoord. Wat van die autochtone bevolking overbleef, bleef leven als onderdrukte, afgescheiden minderheidsgroep.
    De emigratie betrof niet de verhuizing van een heel volk maar van een meestal beperkt percentage van de bevolking van landen zoals Engeland, Ierland, Italië en Nederland. Natuurlijk was het niet een aselecte groep uit de bevolking die emigreerde. In het bijzonder de meer avontuurlijk ingestelde leden van de volkeren uit de Oude Wereld hebben de stap van emigratie ondernomen. Het waren mensen die in gedrag, in opvattingen en misschien zelfs in genen afweken van het gemiddelde van de bevolking, waar zij uit voortkwamen. Ze waren niet beter of slechter dan de achterblijvers, maar wel anders. Ik bedoel hier niet de economische maar de persoonlijkheidsverschillen. Het is niet zo makkelijk te analyseren wat de verschillen waren. In ieder geval behoorde daar ook bij de neiging zich niet zoveel gelegen te laten liggen aan de groep waartoe zij behoorden. De stap tot emigratie vergt een flinke hoeveelheid besluitvaardigheid (weet ik uit eigen ervaring) waarbij je de normen van de groep waartoe je behoort en je gevoelens van loyaliteit tot op zekere hoogte naast je neer moet leggen. Het vergt moed want de beschermende omhulling van de groep verdwijnt. De mensen in de Nieuwe Wereld toonden en tonen gemiddeld dus gedrag dat in lichte mate afwijkt van dat van de achtergeblevenen.
    Hier volgt een hypothese. De neiging tot groepsvorming in de Nieuwe Wereld is kleiner dan in de Oude Wereld. Individualiteit, vrijheid, onafhankelijkheid zijn waarden die relatief hoger, verplichtingen aan en loyaliteit tegenover de groep zijn waarden die relatief lager worden gewaardeerd. Maar de mens is een groepsdier. Als de groepsverbanden te zwak zijn, dan creëert dat onzekerheid, gevoelens van onveiligheid.
    De maat van het land USA levert een extra probleem. Een Amerikaan kan in het hele enorme gebied van de Verenigde Staten werk vinden. Er zijn veel minder grote culturele verschillen dan die binnen het kleinere Europa. Het gevolg is dat families zijn opgesplitst in kleine gezinnen die ver uit elkaar wonen. Niet voor niets is "Riding home for Christmas" zo'n populaire maar ook zwaar beladen lied. Alleen met Kerstmis ontmoeten veel Amerikanen hun naaste familieleden.
    De gevolgen van de genetische selectie en de uitgestrektheid van het land - en hetzelfde geldt voor Australië en Canada - zijn enorm. Er is grote nadruk op het individualisme, op de persoonlijke vrijheid, op de afkeer van de overheid. Meer nog dan in Europa is het individu de maat der dingen. Het betekent dus een schromelijke onderschatting van de noodzaak deelgenoot te zijn van de groep of meerdere groepen. Maar die onderschatting heeft zijn consequenties. Het levert gevoelens van onzekerheid, van onveiligheid, van angst op. En die gevoelens van onzekerheid hebben geleid tot waanzinnige ontwikkelingen. De groep levert veiligheid, zo ervaren dat spieringen, zwermende vogels, gnoes in de kudde en mensen die samen een feest vieren. Ontbreekt die veiligheid dan kan het individu veiligheid vinden in voldoende materiële zekerheid. Nergens wordt daarom het materialisme zo beleden als in de Verenigde Staten. En dat leidt tot een voor Europese normen idioot arbeidsethos, waarbij mensen dikwijls meerdere banen en weinig vakantie hebben.
    Het leven in de Verenigde Staten straalt een hoge mate van eenzaamheid uit (een eenzaamheid die ik uit eigen ervaring tijdens een driejarig verblijf in Canada ken) omdat er te weinig relaties met anderen zijn. Er is een tekort aan groepsgevoel. De consequenties denk ik terug te vinden in enkele merkwaardige uitwassen. Het wapenbezit met de bijbehorende wetgeving moet een gevoel van veiligheid creëeren. Is het de eenzaamheid die tot vraatzucht en zoveel "obesity" veroorzaakt?
    Toch is er de groepsvormingsdrift die tot een enorme bloei van het religieuze leven heeft geleid. Als ik op zondagochtend de kerkdienst "the Hour of Power" uit de Crystal Cathedral zie, kan ik me de troost voorstellen van de gezamenlijkheid, van het samen zijn, van het gevoel lid van een groep te zijn. Ook het virulente nationalisme, denk aan de populaire pledge of allegiance to the flag, laat zich verklaren door de groepsvormingsdrift.

    Recessie
    naar boven
    De kop boven een prachtig artikel in NRC/Handelsblad over de kredietcrisis luidt "Nieuwe zakenelite zet bedrijf op de tweede plaats". De vanzelfsprekende loyaliteit die mensen vroeger hadden met het bedrijf waarvoor ze werkten bestaat nu niet meer, vindt de voormalige bestuursvoorzitter van Lede. De CEO's van nu overtreden fundamentele regels van groepsloyaliteit. Het bedrijf, de fabriek, is een instelling waar een groot aantal mensen bijeenkomt, die gezamenlijk een doelstelling onderschrijven. Zij doen dat niet zomaar, voor ieders inzet moet betaald worden in de vorm van een salaris.
    Toch denken die mensen niet ieder moment aan hun salaris, zij verwachten niet aan het eind van iedere dag betaald te worden, zij zijn dikwijls emotioneel verbonden met het bedrijf, zij blijven er jaren werken, zij zijn lid van de groep, delen tot op zekere hoogte de waarden van de groep, schikken zich in hun rol binnen de groep. De groep, het bedrijf, kent nadrukkelijk leiders. Zoals leiders betaamt, hangt hun effectiviteit mede af van de mate waarin zij ervoor zorgen dat de groep kan blijven functioneren. Als de leiders zich niet aan de fundamentele regels van het spel houden, zal het functioneren van het bedrijf in gevaar komen.
    De groepsleden die het bedrijf vormen zijn in de eerste plaats de mensen die er werken en niet de aandeelhouders, die normaal gesproken tegen een passende beloning slechts voor de condities zorgen, waardoor het bedrijf kan functioneren. Het nastreven van aandeelhouderswaarde met voorbijgaan aan andere waarden, zoals werkgelegenheid, bijdrage aan de gemeenschap en nog zowat, het opbreken en doorverkopen van onderdelen van het bedrijf, dat alles gebeurde tijdens de jaren voorafgaand aan de huidige crisis. Zulk gedrag is in strijd met de rol van groepsleider. De consequenties maken we nu mee.
    Paarden in de wei hinniken enthousiast als een paard aan de andere kant van het hek passeert. Zij tonen wel hun groepsgevoel. Het paardengedrag en de komende recessie, het zijn allebei verschijnselen die als tientallen, honderden andere zijn te verklaren uitgaande van onze groepsvormingdrift. Dat zal ik in de volgende hoofdstukken proberen duidelijk te maken.

    Bewijs
    naar boven
    Er moet voldoende bewijs zijn voor de groepsvormingsdrift. Een bewijs is te vinden in de rituelen die worden gehanteerd tegenover bekenden, die nu ook weer niet zó bekend zijn, in het bijzonder de begroetingsrituelen. Mijn kleinzoon zal ik wellicht begroeten met een hi five, maar de gepensioeneerde hoogleraar in pak geef ik gewoon een hand. De hi five is zeker geen gebruikelijke ontmoeting voor mij. In Afrika zal ik vlijtig meedoen met de dubbele hand die daar wordt gegeven, eerst de gewone hand en dan de hand naar boven draaien tot je elkaars duimen vasthoudt, tenslotte wellicht nogmaals terugdraaien tot de stand van de gewone handdruk. Of juist de hele zachte handdruk waarbij slechts een deel van de vingers elkaar raken.

    Bij deze aanpassingen wil ik de tegenpartij laten blijken dat ik de onder zijn peer groep gebruikelijke gewoontes ken en dus verzoek deel van de groep te mogen zijn. Let wel, ik probeer dus niet mij te conformeren aan de enkele persoon die ik begroet, maar aan de groep tot welke die persoon behoort. Deze poging tot conformeren plaatst mij in een sterke positie. De persoon die ik ontmoet zal mij onbewust als medelid accepteren.

    Het zou kunnen gebeuren dat de persoon die ik ontmoet dezelfde actie wil ondernemen: hij of zij tracht zich te conformeren aan de gewoontes van mijn peer groep. Zo geeft de Burundese man die al jaren in Nederland woont, mij een stevige hand, volslagen tegen de gewoonte van zijn landgenoten in. Ik constateer het en bedenk me dat hij zich een heel eind aan de Nederlandse maatschappij heeft geconformeerd. Toch blijken de meeste mensen dit soort aanpassingstrucjes niet door te hebben. En dan slaagt mijn truc, een truc die gebaseerd is op het onderscheiden van de gewoonten van de ander die hij of zij aan de groep ontleent.

    Laat ik nog twee bekende voorbeelden noemen. Er zijn de drie begroetingszoenen, eerst typisch Brabants, inmiddels een soort handelsmerk voor Nederlanders. Zich eraan onttrekken levert gemengde reacties. Gemengde reacties kreeg Claus ook, toen hij de stropdas demonstratief afwierp. O ja, iedereen vond hem aardig en origineel maar ook merkwaardig. Hij kon deze actie alleen ondernemen vanwege zijn uitzonderlijke positie in de Nederlandse samenleving: uiterst hoge sociale status met al vele jaren de reputatie van een aimabele persoonlijkheid. Toch is zo'n demonstratie van non-conformisme een rebelse actie. Het is de actie van een individu om de groepsmores te doorbreken. De groep bekijkt het welwillend maar de actie mag niet te ver gaan. Als dat gebeurt wordt de persoon (virtueel EN reëel) uit de groep gegooid.

    Niebuhr
    naar boven
    Uit het Amerikaanse blad "The Star" haal ik het volgende citaat.
    Asked last year by the Times' David Brooks about whether he had read the work of theologian Reinhold Niebuhr, Obama recalled Niebuhr from his days at Harvard as having a lasting influence. From Niebuhr, Obama gleaned that, "There's serious evil in the world, and hardship and pain. And we should be humble and modest in our belief we can eliminate those things. I take away ... the sense we have to make these efforts knowing they are hard, and not swinging from naïve idealism to bitter realism." He then called Niebuhr his "favourite philosopher." ........
    Niebuhr saw societies as fundamentally alienated from God. He claimed that, "The nation is as much the servant of the Devil as the servant of God." Against the idolatry of the state, he doesn't mince words: "The nation is ethically ambiguous ... it belongs to the Devil precisely because it claims to be God."
    Despite his socialism, Niebuhr's thought is at variance with the liberal narrative of human progress. He saw that human beings, while capable of selflessness on an individual level, are socially and politically selfish.


    Woorden
    naar boven
    Er zijn vele persoonsbeschrijvingen:
  • postbode, metselaar,
  • idioot, luiaard,
  • broer, nicht,
  • biljarter, snorkelaar,
  • gepensioeneerde, huisjesmelker,
  • bisschop, diaken.

  • De tweetallen persoonsbeschrijvingen hierboven zeggen achtereenvolgens iets over het beroep, de mentale gesteldheid, de familierelatie, de tak van sport die wordt beoefend, de economische status en de positie in de kerk. Van de persoonsbeschrijvingen zijn er een aantal die de groepsstatus van de mensen om ons heen weergeven. Eerst een lijst van groepsgenoten.
    echtgenoot
    oom
    lid
    vriend
    kind
    moeder
    kollega
    kennis
    zoon
    partner
    chef
    relatie
    familielid
    ondergeschikte
    buurman
    autochtoon
    Het is interessant deze woorden vooraf te laten gaan door een bezittelijk voornaamwoord. Bijvoorbeeld: 'mijn dochter' of 'mijn chef'. De combinatie is veel logischer, vanzelfsprekender dan de combinatie van bezittelijk voornaamwoord en een persoonsbeschrijving zonder groepsstatus, bijvoorbeeld 'mijn gepensioeneerde' of 'mijn chirurg'. In deze gevallen is extra uitleg noodzakelijk. Het bezittelijk voornaamwoord heeft kennelijk als betekenis: 'de betreffende persoon en de bezitter (mijn, zijn, haar) zijn groepsleden'. In het geval de persoonsaanduiding zelf geen groepslid-eigenschappen heeft, geeft het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord een merkwaardig gevoel. Het gebruik lijkt NIET OP ZIJN PLAATS te zijn! Daarom de noodzaak van extra uitleg. 'Mijn chirurg' zal gebruikt worden als iemand vertelt over de operatie die hij heeft ondergaan, waardoor met de chirurg een relatie in aangegaan, die de chirurg groepslid maakt. (Autochtoon is natuurlijk alleen een groepsgenoot van de andere autochtonen - in dit land ben ik autochtoon - integenstelling tot echtgenote en één kind)
    Hier een lijst van niet-groepsgenoten. Het bijzondere van deze woorden is dat deze juist WEL een groepsstatus hebben, namelijk dat het aanduidingen zijn van personen die nadrukkelijk GEEN lid van de eigen groep zijn.
    vijand
    zonderling
    tegenstander
    allochtoon
    concurrent
    vreemdeling
    Het gebruik van een bezittelijk voornaamwoord is hier soms weer wel logisch: 'onze vijand', omdat dan verwezen wordt naar de confrontatie van twee groepen!

    Kleding
    naar boven
    Natuurlijk werd en wordt kleding vooral gebruikt om het lijf te beschermen. Er zijn inmiddels nog een aantal andere functies aan kleding toegekend. Daarbij blijkt hoe belangrijk kleiding is voor het beleven van groepsprocessen. Klederdrachten zijn vormen van kleding die vroeger typerend waren voor een bepaalde streek, dorp of stad. Het beroemdste voorbeeld zijn de kapjes die door vrouwen in Volendam werden gedragen. Het kapje werd een symbool voor Nederland. De klederdracht-kleding is zeker niet altijd functioneel, denk aan de uiterst onhandige Zeeuwse en Scheveningse kappen. De kleding straalt uit dat de drager of draagster zich identificeert met de groep: de medebewoners van dorp, stad of streek. De geruite stof van Schotse kilts, die de drager identificeert als een Schot, blijkt per clan zijn specifieke patroon te hebben. Clanleden en andere ingewijden kunnen de drager dus als lid van een specifieke groep identificeren. Voor al deze klederdrachten geldt (meen ik) dat binnen het voorgeschreven stramien het individu een klein beetje ruimte heeft voor eigen expressie. Het is van belang dat we ons realiseren dat die ruimte maar heel beperkt is. Naast kleding kunnen andere versierselen worden gebruikt om groepslidmaatschap zichtbaar te maken. Denk aan versierselen van de Masai krijgers, de lipschijven van vrouwen van de ??? stammen in ???, de littekens ten gevolge van opzettelijk aangebrachte verwondingen in heel Afrika maar ook de littekens ten gevolge van duels bij jongemannen van stand in Duitsland in de 19e, begin 20ste eeuw, de oorijzers van de Zeeuwse en Scheveningse vrouwen. Het uniform (één vorm!) dient ook om het groepslidmaatschap zichtbaar te maken. Het militaire uniform levert infromatie over het land, het legeronderdeel en de rang van de drager binnen dat onderdeel. Maar er zijn ook uniformen voor bepaalde beroepsgroepen: de koksmuts, de portierskleding bij sjieke hotels, de doktersjas en het verpleegstersuniform. Subtielere toepassingen zijn er ook. De moderne zakenman zal tijdens zijn werk een pak, bij voorkeur een donkerblauw of een krijtstreep)

    Lidmaatschap
    naar boven
    Het begrip lidmaatschap is de tegenhanger van het begrip groep. Ik heb tot dusverre voortdurend gedacht aan het bestaan van groepen. Rik Smits brengt mij met zijn boek Dageraad: hoe taal de mens maakte op andere gedachten. De groep is er alleen in het hoofd van de leden van de groep. Zij denken dat er een groep is. Zij denken dat zij lid zijn. De groep is in de termen van Rik Smits een concept in het brein van de leden, net als hun lidmaatschap. Ieder lid ziet zichzelf als lid van meerdere groepen.
    Het gevoel van lidmaatschap zal lang, lang geleden ontstaan zijn. De eerste aanleg is er bij de eerste organismen die groepsgedrag vertoonden. Dat lidmaatschapsgevoel was de grondslag van de groepsvorming. Het concept lidmaatschap is natuurlijk ontwikkeld, zelfs min of meer bewust geworden bij hoger ontwikkelde dieren. Als een wolf denkt, zal een flink deel van zijn gedachten gewijd zijn aan zijn lidmaatschap van de roedel. Evenzo zal de jager/verzamelaar zich bezighouden met zijn lidmaatschap van de groep, de clan, waarvan hij deel uitmaakt. Daarbij gebruikt hij het vele geslachten, vele millioenen jaren eerder ontwikkelde lidmaatschapsgevoel.
    Nu is een gigantische denksprong te maken. Waarschijnlijk voelde de jager/verzamelaar zich lid van slechts een klein aantal groepen: de clan, zijn eerstegraads familieleden (voor zover bekend), zijn leeftijdsgenoten. De moderne mens kan met datzelfde lidmaatschapsgevoel het aantal lidmaatschappen uitbreiden tot een bizar groot aantal. Het zich lid kunnen en willen voelen ligt dus genetisch vast. Het gebruik ervan, het toepassen, is vrij. Wij, moderne mensen, hebben het aantal lidmaatschappen enorm uitgebreid. Hier zijn er enkele: gezinslid, famileilid, lid van de kerk, van de sportvereniging, van Natuurmonumenten, van een politieke partij, van de maatschappij Maar ook de zinsnede "ik ben" duidt dikwijls op lidmaatschap: ik ben socialist, ik ben voetballer, ik ben Brabander, Nederlander, autochtoon, gepensioeneerde, werknemer bij Philips, loodgieter.
    De essentie van het lidmaatschap is dat het lid opvattingen en/of gedragingen deelt met de andere leden van de groep waarvan het lid deelt uitmaakt of deel uit denkt te maken. Dat betekent dat het lid bepaalde normen, gedragsvoorschriften met anderen deelt of denkt te delen.
    De eerste van duizenden voorbeelden die me te binnen schiet: het golfvaardigheidsbewijs. Natuurlijk gelden overal ter wereld al een aantal regels die bij het golfspel worden gehanteerd, regels niet alleen om de strijd tussen elkaar bekampende golfers te regelen. Interessant dat in Nederland een examen moet worden afgelegd om aan te tonen dat men deze regels kent. Dat examen levert dan het golfvaardigheidsbewijs. Zou het niet aardig zijn om daar ook het afleggen van een golfeed aan te verbinden?
    De gedragsvoorschriften zouden ook beschreven kunnen worden als een verzameling rechten en plichten van ieder lid. In het voorbeeld van het golfvaardigheidsbewijs zijn de regels geformaliseerd. Die formalisering betekent nog niet dat ieder groepslid, dat is in het geval van golf iedere Nederlandse golfer, zich ook aan deze regels houdt. Dikwijls zijn er geen formele regels. Laat ik een paar groepen met en zonder formele regels noemen.
    Met formele regels:
    bewoners van Nederland: Burgerlijk Wetboek
    vereniging: statuten en huishoudelijk reglement
    werknemers: (collectieve) arbeidsovereenkomst
    Zonder formele regels:
    gezinsleden
    bus vakantiegangers
    buurt Dat zonder formele regels het lid zich toch gedwongen kan voelen aan bepaalde verplichtingen te voldoen kan ook duizendvoduig geïllustreerd worden. Als de andere buurtbewoners na sneeuwval de stoep schoonvegen bepaalt zijn sensibiliteit of iemand ook de sneeuw wegveegt. Is door een buurtvereniging het lidmaatschap meer geformaliseerd, dan is de maatschappelijke druk, eigenlijk het gevoel van verplichting in het hoofd van ieder lid, groter.

    Het individu
    naar boven
    Een belangrijk kenmerk van deze tijd, laten we zeggen de laatste vijftig jaar, is het streven in ons deel van de wereld naar de opperste beleving van de individualiteit. Een mooie illustratie hiervoor is de opinie over de gedwongen bruiden, ook wel importbruiden genoemd. Nederlanders vinden het schandalig dat jonge meisjes in Turkije moeten trouwen met Turkse in Nederland wonende mannen. Het is volledig in strijd met onze opvatting over het huwelijk. Het huwelijk is de bezegeling van de individuele liefde van een jonge man en een jonge vrouw.
    De Turkse families die deze huwelijken regelen, hebben een andere mening. Natuurlijk zijn de Turken, al of niet in Nederland wonend niet "slechter" dan Nederlanders. In die cultuur - althans, vermoed ik, in sommige delen van het platteland van Turkije - is het belang van het individu, van de jonge bruid, ondergeschikt aan het belang van de familie. De familie kan dus naar believen beslissen voor het individu, die zich bij die beslissing dient neer te leggen. Verzet tegen een dergelijke beslissing zal als verwerpelijk worden beschouwd, een bewijs voor gebrek aan loyaliteit. Het is een verdedigbaar standpunt.

    Wat is de individualisering? Laat ik het omschrijven als de neiging de opvattingen en gedragingen van het individu, van de eigen persoon en van anderen, hoger te achten dan voorheen. Het gevolg is dat de opvattingen en gedragingen van mensen verder uiteen kunnen waaieren, onderling steeds grotere afwijkingen kunnen vertonen. Individualisering heeft daarmee enorme maatschappelijke consequenties.

    Maar eerst kan men zich afvragen of de maatschappelijke ontwikkeling altijd en overal is gegaan in de richting van grotere individualisering. Is in de geschiedenis van China te onderscheiden of er perioden waren met toenemende dan wel afnemende individualiteit? De Romantiek is zeker een tijdperk geweest van individualisering. Ook de Renaissance. Toen kon het individu zich losweken van de heerschappij van de kerk. De oude Grieken waren toh ook individualisten? Iedere moderniseringsbeweging lijkt individualisering met zich te brengen.

    Wat is eigelijk de drijvende kracht achter de individualisering? Hoe zat het het met de individuele opvattingen van de jager/verzamelaar? Tijd voor een hypothese. Misschien is het beter te spreken van krachten die individualisering tegenhouden. In tijd van oorlog, van tekort, van gevaar - en zo was het in de jager/verzamelaar tijden voortdurend - was de noodzaak van conformeren aan gemeenschappelijke doelstellingen veel groter. De soldaat moet zich aan het centrale gezag onderwerpen anders wordt de oorlog zker verloren. In moeilijke tijden is individualisering onwenselijk. Misschien is de individualisering wel zo'n sterke kracht omdat in de Westerse wereld de laatste halve eeuw veiligheid, gezondheid, zekerheid ongekend groot waren. Een rem op de individualisering, meestal in werking gesteld door de machthebbers, was niet nodig. En dan werkt de groep, de groepsmoraal, de groepsdruk op een omgekeerde manier. De groep "besluit" geheel onbewust dat de noodzaak individualisering tegen te houden minder groot is en de groepsleden gedragen zich dienovereenkomstig.

    Eigenlijk is bovenstaande niet origineel. In de piramide van Maslow staat zelfontplooiïng bovenin, boven meer basale behoeftes als veiligheid, gezondheid en voeding. De "lagere" behoeften moeten eerst vervuld worden, voordat naar vervulling van de hogere gestreefd wordt.

    Maar nu de consequenties. Plotseling is het kind niet meer een weinig opgevoed persoon die eventueel met hardhandige middelen leren moet, zich te conformeren. Het kind moet zich kunnen ontplooien, zich in vrijheid kunnen ontwikkelen. In plaats van het geven van opdrachten, instructies en correcties onderhandelt de ouder. Opvoedingsidealen veranderen. Het gevolg is dat kinderen opgroeien met andere en onderling afwijkende opvattingen en gedragingen. Er is divergentie. Individuele kwaliteiten en mankementen treden sterker op de voorgrond. Er zijn plotseling een groeiend aantal ADHD-ers. Was mij de vrijheid vijftig jaar geleden vergund, dan was ik een ADHD-er geworden.

    De ontplooiïng heeft veel verdergaande consequenties, die ik op dit moment nog maar schimmig voor me zie. Meer mensen zijn in de gelegenheid de uiterst persoonlijke mix van eigen kwaliteiten te ontdekken, deze te ontwikkelen en te gebruiken. Dat betekent dat op alle mogelijke terreinen van wetenschap en kunst een explosie van originele gedachten, beelden, theoriën plaatsvindt. En dat leidt weer tot een zich razendsnel ontwikkelende maatschappij die mensen buiten geestelijke adem nauwelijks bij kunnen houden. Alles wat op internet erbij komt illustreert dit. De ontwikkeling van eigen kwaliteiten leidt ook tot een hogere intelligentie. (De intelligentie was er natuurlijk ook wel zonder die ontwikkeling maar kon zich niet manifesteren.) De ontplooiïng leidt ook tot een uiteenwaaieren van meningen en inzichten. Mensen kunnen het zich permitteren opinies te vormen die afwijken van die binnen de eigen groep. Het zou wel eens de doodsteek van de democratie kunnen zijn. Op zeker moment zijn de meningen te sterk afwijkend om nog onder de paraplu van een politieke partij of van een religie, te vallen.

    Groeiend individualisme is er dus maar de ware aard van de mens kan niet verloochend worden. Tegelijk treden groepsvormingsprocessen onweerstaanbaar op. Veel meer dan vroeger tooit de mens zich met individuele meningen: "Ik vind ......" Maar het is schijn-individualiteit. De klederdracht zoals die van de Scheveningse en Zeeuwse vrouwen, zoals die van Marken en Voldendam, is vervangen door eigen smaak. Maar toch dragen opeens veel, heel veel vrouwen laarzen, zomer en winter. De universitaire academicus en de journalist hebben geen das maar wel een jasje. In het Gooi wordt de sjaal geknoopt op Laga-wijze (dubbel om de nek, de twee losse einden door de lus). Politici tooien zich met een rode stropdas dit seizoen. En nu heb ik het nog alleen maar over de kledingmode. Spugen werd populair gemaakt door voetballers in de glrietijd van AJAX, en hoewel een strikt taboe voordien, overgenomen door millioenen jongens en mannen. Het lijkt nu weer minder populair te worden. Duizenden andere gedragingen, opinies en overwegingen, waarvan velen denken dat ze op een individuele beslissing berusten, zijn eigendom van het collectief.

    Het meest individualistische beroep is dat van de kunstenaar. Die streeft immers naar de meest individuele expressie van de meest individuele emotie. Maar toch conformeren alle kunstenaars zich aan hun tijd. Daarom kan er van Impressionisten, van Kubisten, van Magisch Realisme, enzovoorts gesproken worden. De meeste kunstenaars blijken dan toch naäpers te zijn, mensen die bij anderen de kunst afkijken. Een uitzondering vormen de grondleggers, en dat zijn dan meteen ook de besten van het tijdperk: Beethoven, Mondriaan.

    Voor individualisme is ruimte tijdens perioden van relatieve stabiliteit, veiligheid, welvaart. Het aardige is dat zo'n periode van welvaart zoals we die nu kennen slechts mogelijk is ten gevolge van sterke groepsprocessen. Het produceren van een auto of een tv-ontvanger is slechts mogelijk door een uiterst fijn afgestemde samenwerking van grote groepen mensen.

    Ras
    naar boven
    Citaat uit NRC/H van doncerdag 2 juli:
    Dat mensen onbewust meer meevoelen met rasgenoten dan met mensen van een ander ras, is te zien in de reactie van hun hersenen. Dat schrijven Chinese onderzoekers deze week in het Journal of Neuroscience. De onderzoekers lieten Kaukasische en Chinese proefpersonen nsar filmpjes kijken waarop iemand van het eigen ras of iemand van het andere ras in het gezicht werd geprikt met een naald. Ondertussen volgden ze de hersenactiviteit met MRI. Het hersendeel dat betrokken is bij pijnverwerking werd sterker actief wanneer slachtoffer en toeschouwer van hetzelfde ras waren. Dat mensen meer meevoelen met groepsgenoten was al bekend, maar nog nooit op hersenniveau aangetoond.

    Huisdieren
    naar boven
    Tinkebel doodde haar eigen kat

    De quintessens
    naar boven
    Laat ik een uiterst voorzichtige poging met veel voorbehoud doen om de quintessens van dit schrijfsel te formuleren.
    Er zijn drie mechanismen te onderscheiden die het gedrag tussen soortgenoten sturen. Het eerste mechanisme: de voortplantingsdrift. Het tweede mechanisme: op zeker moment (wanneer, bij welke dieren?) werd naast de voortplantingsdrift de zorg voor het nageslacht essentieel voor de instandhouding van de soort. Dat gaat van het begraven van de eieren door zeeschildpadden tot de borstvoeding bij de mens. Het derde mechanisme: op zeker moment (wanneer, bij welke dieren?) was gezamenlijkheid, groepsvorming, essentieel voor de instandhouding van de soort: kudden gnoes in Serenget De laatste twee mechanismen zijn niet werkzaam bij alle diersoorten. Het besef van de ander, de soortgenoot, is bij sommige dieren genetisch ingebakken.
    Zeker is op enig moment het concept moederliefde ontstaan. (De partnerliefde heeft een heel andere oorsprong en is dus liefde van een andere soort. Misschien dat we die verschillende liefdes iets teveel op een hoop gooien.) Bij de moederliefde hoorden gedragsregels die de moeder en het kind ingebakken kregen om te waarborgen dat de soort bleef bestaan. Op overeenkomstige manier is er een soort empathie ontstaan voor de groepsgenoot en daarbij hoorden ook zekere gedragsregels. Groepsgenoot of soortgenoot? De opwinding van paarden in de wei die een onbekend paard voorbij zien komen wijst erop dat bij deze dieren in ieder geval sprake is van soortgenoot-empathie. Of paarden een onderscheid maken tussen leden van de eigen groep en die van andere paarden, weet ik niet. Ik denk dat het wel zo zal zijn, omdat het bij zoveel beesten bekend is. Bij de in groepen levende en hoger ontwikkelde chimpansees is er een groepsgenoot-empathie. Ik verwijs hier eigenlijk naar gevoelens van individuen. Beter is misschien om te bedenken dat het gaat om een gevoel dat gedeeld wordt door groepsgenoten, een emotie waarvan de groep drager is.
    De gevoelens behorend bij de twee mechanismen zijn versmolten tot een kluwen van altruïsme. Dat leidt tot gedrag dat niet alleen de instandhouding en het welbevinden van het individu maar ook dat van de anderen wil bevorderen. Het eindresultaat is dat we gedwongen door onze afkomst en tot behoud van de soort op de één of andere manier in meer of mindere mate aardig proberen te zijn voor de mensen om ons heen.
    Er is echter helaas een vreselijke beperking. Dit altruïsme heeft zich ontwikkeld in de organisatievorm die het leven van de jager/verzamelaar waarschijnlijk voor vele tienduizenden, misschien honderdduizenden jaren heeft bepaald: de clan. De grootte van de groep waarbinnen de mens functioneerde, werd gedicteerd door enkele uiterst zakelijke factoren, de voedselvoorziening en de veiligheid. Om ieder lid van de clan regelmatig van voedsel te kunnen voorzien, moest de clan niet al te groot en niet al te klein zijn. Werd de clan te groot, dan dreigde te snel uitputting van de voedselbronnen. Was de clan te klein, dan waren te weinig clanleden beschikbaar voor de verschillende taken, dan waren de bedreigingen door dieren moeilijk te keren en kwam de reproductie in gevaar. De optimale groepsgrootte moet ergens tussen de 50 en 150 hebben gelegen. Natuurlijk zal dit getal gevarieerd hebben met de klimaten en de diverse ontwikkelingsstadia van de jager/verzamelaar. Wikipedia: Individual band societies tend to be small in number (10-30 individuals), but these may gather together seasonally to temporarily form a larger group (100 or more) when resources are abundant.

    ........ Een prachtig voorbeeld van de tegenstrijdige gevoelens voortkomend uit mechanisme drie, de solidariteit met de groep, en mechanisme twee, de drang tot voortplanting is het verhaal van Romeo en Julia. De sexuele liefde tracht het te winnen van de solidariteit met de eigen groep. Daar speelt nog een ander mechanisme een rol speelt: genetische menging is nodig voor instandhouding van de soort en dat maakt dat Romeo en Julia gelijk hebben.

    Geestelijke gezondheid en lidmaatschap
    naar boven
    Twee studies stellen zinnige vragen bij de modes in de psychiatrie is de ondertitel van een artikel van Beatrijs Ritsema in de NRC van 20 oktober 2009. Hier een citaat:
    Zowel Bentall als Verhaeghe meent dat sociale ontwrichting (problemen op het gebied van groepslidmaatschap en identiteit) het grootste risico vormt voor geestelijke gezondheid. Erbij horen of niet erbij horen, daar draait het om. Verhaeghe, de psychoanalyticus, signaleert de opkomst van een nieuw anonymaat; mensen die geen deel uitmaken van een richtinggevende stabiele groep. Instituties als gezin, familie, kerk, school boden hun leden traditioneel een kader en legden zelfbeheersingsnormen op voor levensterreinen als hygiëne, eten, drinken, erotiek en genot in het algemeen. In deze hedonistische, geliberaliseerde maatschappij is het principe van deugd omwille van de deugd vervangen door het minimale voorschrift om geen anderen te schaden, terwijl er hooguit beperkingen gelden qua financiën en gezondheid. Het gevolg van deze giftige cocktail van moreel en cultureel relativisme is patiënten met een psychische leegte daar waar een identiteit zou moeten zijn.
    Deze paar regels behoeven nauwelijks toelichting. De mens heeft het lidmaatschap nodig, heeft nodig zich lid te voelen. Ontbreeekt of ontbreken lidmaatschap(pen), dan gaan er dingen mis. En "de deugd (is) vervangen door het minimale voorschrift om geen anderen te schaden". Er is dus een direct verband tussen lidmaatschap(pen) en ethische opvattingen ofwel besef van normen en waarden.
    Ik schrijf lidmaatschap(pen). Die dubbelzinnigheid heeft een betekenis. Het woord lidmaatschap wordt gebruikt om de relatie tussen een persoon en één organisatie te beschrijven. Maar het lidmaatschap kan ook als een menselijk kenmerk worden beschouwd, een kenmerk met een bepaalde kwantiteit. Iemand met "veel lidmaatschap" is niet persé lid van veel organisaties maar het lid zijn is voor die mens een belangrijk onderdeel van zijn bestaan.