website van Rob Knoppert


20 september 2017

26 mei 2017
Tot mijn verbazing is de afgelopen tijd deze site toch nog wel bezocht. Laat ik de toevallige bezoeker niet teleurstellen. Ik zet er weer wat op. De tekst van Het Lidmaatschap, het boek dat ik aan het schrijven ben, zet ik er niet op. Inmiddels ben ik ver genoeg om uitgevers te proberen te verleiden. Ik moet deze pogingen niet frustreren door op internet de tekst beschikbaar te stellen. Wel zet ik hier de inleiding van dit boek. Misschien komen er Opmerkingen in het algemeen.
Ik ben te bereiken op Facebook
Ik zet hier voor de aardigheid twee recente schilderijen neer (de tweede is bijna wit en wordt dus niet mooi weergegeven):

      



Opmerkingen in het algemeen
  • Soms is er niets interessants op te merken.
  • Covfefe!!!


  • Inleiding op Het Lidmaatschap

    Dit is het begin van een boek waaraan al lang wordt geschreven en dat nog niet af is.
    Dit boek is geen verhaal, maar de weergave van een idee, een gedachte, een hypothese. Een andere omschrijving: dit is een filosofisch-antropologisch essay. De gedachte is simpel, een gedachte van toepassing op alle tijden en plaatsen waar mensen leefden, leven en zullen leven. De gedachte heeft op alle niveaus van het menselijk bestaan betrekking. De gedachte komt uit mijzelf maar is niet nieuw. Veel anderen zijn me voorgegaan. Wat ik doe is de gedachte uit laten waaieren op vele levensgebieden en de gedachte een groter gewicht geven dan hij bij anderen heeft. Zo wil ik aantonen dat de gedachte veel belangrijker is dan dikwijls wordt aangenomen.
    Het probleem hierbij is de veelzijdigheid, de omvang, de diepgang, de pretentie. Eigenlijk is een tientallen jaren durende studie noodzakelijk. Dat leren zou opleveren: een betere onderbouwing, meer bewijs en grotere wetenschappelijkheid. Maar ik heb genoeg nagedacht om iets te schrijven dat relevantie heeft. Waar nodig zal ik duidelijk maken dat er geen zekerheid is of dat ik over het betreffende onderwerp niet voldoende kennis heb. Tijd en plaats zijn de belangrijkste variabelen in het menselijk bestaan. Ik schrijf sinds 2008 in een woonhuis in Vlijmen, een kleine plaats in Noord-Brabant, Nederland.

    De titel van het boek is Het Lidmaatschap. Dat is meteen de kortste samenvatting van het hele boek en dus van de gedachte. De gedachte is dat ieder mens niet kan leven zonder lid te zijn van groepen mensen. Deze noodzaak van lidmaatschappen is van alles bepalende invloed op ieders persoonlijk leven en op de maatschappij. De behoefte aan lidmaatschap is zoals die aan voedsel. Het lidmaatschap is net zo belangrijker als liefde of seks. Als ik hier het woord groepen gebruik, dan moet de lezer denken aan groepen van 2 tot miljarden personen, groepen met een levensduur van minuten tot de eeuwigheid. En soms zijn de andere leden niet eens mensen. Het boek gaat niet slechts over het heden, maar verwijst naar de prehistorie, naar tijden miljoenen jaar geleden. Het boek gaat niet alleen over Nederland, maar over de hele planeet. Het gaat over alle mensen.

    Hier is een citaat uit Een voorpost van de beschaving van Joseph Conrad dat haast als een samenvatting van dit boek kan worden beschouwd:
    Weinig mensen beseffen dat hun leven, het wezen van hun karakter, wat ze kunnen en wat ze durven, slechts uitdrukking zijn van hun geloof in de veiligheid van hun omgeving. Hun moed, hun kalmte, hun zelfvertrouwen, hun emoties en principes, de meest verheven als zowel de meest banale gedachten het zijn allemaal geen producten van het individu, maar van de massa – van de massa die blindelings gelooft in de onoverwinnelijke macht van zijn instanties en zijn zeden, in de sterkte van zijn politie en zijn overtuiging.

    Tijdens het schrijven en daarvoor noodzakelijke studie bleek het idee van het lidmaatschap een vruchtbare bron voor begrip van veel maatschappelijke processen. Ik ontdekte onderweg veel meer. De belangrijkste ontdekking: het mechanisme dat er voor zorgt dat de samenhang in groepen blijft bestaan is de moraal. De mens heeft aanleg om met andere mensen om te gaan. De mens heeft een genetische aanleg voor het leren van een taal en een moraal. Welke taal en welke moraal dat zijn hangt af van de ouders. Een volgende ontdekking die hieruit volgt: de moraal verschilt van groep tot groep. Dat heeft als consequentie dat het individu zijn moraal aanpast aan de groep waarmee hij zich verbonden voelt: het gezin, het werk, de staat, om enkele belangrijke groepen te noemen. Hoewel mijn uitgangspunt, de noodzaak van lidmaatschap, los staat van de geschiedenis, blijkt me inmiddels dat enig benul van de menselijke geschiedenis tot vergaande soms minder prettige conclusies leidt. Het lidmaatschap, dit geschrift, gebruikt als uitgangspunt het inmiddels door de wetenschap geaccepteerde beeld dat Tomasello kort en krachtig zó formuleert:
    The changes we see in human societies beginning with the advent of agriculture and cities are not due, on anyone's account, to any kind of biological adaptation. The changes would seem to be sociological only, given their recency and the fact that by this time modern humans were already spread out all over the globe (so that a species-wide biological change was higly unlikely). What this means is that most, if not all, of the highly complex forms of cooperation in modern industrial societies - from the United Nations to credit card purchases over the Internet - are built primarily on cooperative skills and motivations biologically evolved for small-group interactions.

    Het lidmaatschap als noodzaak is geen typisch menselijke eigenschap. Die kennen we ook bij groepsdieren. Groepsdieren, kraaien, leeuwen, apen, leren in de groep de regels van de groep. Zo is het ook bij de mens. Die leert de regels van de groep, en dat is voor de mens de moraal, als kind in het gezin. Dat was heel vroeger de uitgebreide familie die leefde als jagers/verzamelaars. Tegenwoordig zal hij gewapend met die moraal zich in volwassenheid aansluiten bij andere groepen: in recente tijden het dorp, de kerk, nu het werk en de staat (en ik spreek hier natuurlijk over de Westerse wereld). Inmiddels zijn we aangeland in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw. In de Westerse wereld ontwikkelen techniek en wetenschap zich versneld. Het gevolg: de maatschappij verandert steeds sneller. Andere culturen worden er door weggevaagd. Een volgende generatie zal leven in een wereld die er opnieuw anders uit zal zien als de voorgaande. Technisch en wetenschappelijk kan de mens oneindig veel meer dan vroeger, maar in moreel opzicht zijn zijn kwaliteiten niet verbeterd. Het lidmaatschap neemt steeds andere vormen aan.

    Ik geef enkele voorbeelden van maatschappelijke verschijnselen die veel met lidmaatschap te maken hebben:
  • De mens voelt zich burger van de staat waar hij is geboren en identificeert zich met die staat, het landschap, de (mogelijk verbeelde) eigenschappen van zijn landgenoten. Hij beschouwt buitenlanders als anders. Wordt hij door landgenoten niet als landgenoot herkend en erkend, kan hij daardoor geen werk vinden en wordt hij niet geaccepteerd en gediscrimineerd, dan zal hij gefrustreerd elders een identiteit zoeken. Zo ontstaan jihadisten.
  • Een man is 40 jaar lang een toegewijd werknemer bij een groot bedrijf. Het bedrijf heeft geprofiteerd van de natuurlijke neiging van de man om zich als goed lid van deze gemeenschap te gedragen. Het bedrijf gaat failliet en de man wordt afgedankt. Zijn instinctieve vertrouwen wordt beschaamd. De jongeman weet dat doden slecht is maar de regel blijkt alleen te gelden binnen de verbeelde gemeenschap van zijn land. Ver weg doodt hij onbekenden als soldaat in een leger. Hij wordt ervoor geprezen.
  • De zwarte vrouw kan geen werk vinden in het witte land. Onbewust wordt ze gezien als onbekende. Ze wijkt uiterlijk te ver af van de anderen om als groepslid te kunnen worden gezien. Racisme is een onprettige maar natuurlijke neiging van de mens die voorkomt uit het prehistorische lidmaatschap van de familie. Zij lijdt onder de consequenties.
  • De discussie tussen politiek links en rechts gaat meestal over de herverdeling van inkomen. Welk deel van de inkomsten wordt door de staat verdeeld en welk deel houdt het individu? Links ziet de staat als gemeenschap waarbinnen alle leden verplicht zijn elkaar te steunen, rechts hangt het Verlichtingsideaal aan van de individuele mens met eigen verantwoordelijkheid die de staat die hiervoor de juiste randvoorwaarden schept.
  • De uitspraak dat alle mensen gelijkwaardig zijn, wordt door velen onderschreven. Maar moet iemand geld aan hongerigen elders geven ten koste van zijn eigen kinderen? Nee. Waarom niet? Omdat zijn eigen kinderen tot zijn belangrijkste groep behoren. Verloochenen van dat lidmaatschap zou een grove overtreding van zijn moraal zijn. De moraal is het stelsel van regels om met anderen om te gaan. Voortdurend is er binnen de groep of groepen waar we lid van zijn een toetsing van die regels. Moeten de vluchtelingen worden toegelaten? Wordt er genoeg gedaan aan het milieu? Hoe groot moet het cadeau zijn bij de komende bruiloft?
  • In de ene maatschappij is homoseksualiteit verboden en zorg voor ouderen verplicht, in de andere maatschappij is het omgekeerd. Het formuleren van Universele rechten van de mens is een te grote pretentie.
  • Bij voetbal en veel andere sporten wordt het echte leven geïmiteerd. De groep heeft als doelstelling de vreemden van een andere, concurrerende groep te bestrijden en daarbij hoeven de anderen niet gespaard te worden. Het is spel dus doden mag niet.
  • De leider en/of inspirator van de groep kan een buitengewoon grote invloed op de moraal hebben. Dat tonen mensen als Hitler, Gandhi, Benedictus van Nursia, Mao Tse Tung en Augustinus aan. De groepsleden laten hun morele overtuigingen afhangen van de leiders. Er is geen sprake van een individuele afweging. Het beste voorbeeld van de mens zonder lidmaatschap is de dakloze zwerver.
  • De feestende menigte bij de dance party, juichend voor André Rieu of rond het podium met Madonna voelt zich EEN.
  • Onze geliefde tv-presentator, nieuwslezer, komiek of acteur willen we steeds weer zien. We kennen hem. Hij praat tegen ons. Hij voelt bijna als familie. We vormen met hem een virtuele groep. We identificeren ons met hem. Als we dezelfde persoon in werkelijkheid zien, slaat verwarring toe. Het kost enige moeite te bedenken dat hij ons niet kent.
  • De werknemer die zzp-er wordt lijdt verlies aan inkomen maar ook emotioneel verlies. Als zzp-er is hij slechts een leverancier van arbeid. Als werknemer is hij onderdeel van een organisatie, hij is lid van de groep, hij ontleent er bescherming aan, hij is trouw aan de organisatie en doet meer dan nodig.
  • Oorlogen zijn in alle gevallen de strijd tussen groepen. De groepen kunnen bestaan uit mensen van één nationaliteit, religie of politieke overtuiging.



  • Deze jonge vrouw, een soldaat in het Israëlische leger, illustreert het lidmaatschap op overduidelijke wijze. Ze is soldaat, dus lid van het leger. Dat betekent dat zij zich onderwerpt aan de regels van deze groep. Zij maakt haar lidmaatschap kenbaar door het dragen van een uniform. Uniform = één vorm: alle leden van de groep dragen dezelfde kleren en maken zich zo identiek aan elkaar. De individualiteit wordt ondergeschikt aan het lidmaatschap. De groep, het leger, heeft een sterke leiderschaps-structuur, waardoor loyaliteit afgedwongen kan worden. De groep heeft als specifieke taak de belangen te verdedigen van een grotere groep, het eigen volk, en dat door middel van geweld. Het geweld richt zich op de vijand, andere mensen die niet individueel maar alleen als groep vijand zijn. (Voor gevaarlijke individuen is er een ander instituut: de politie.) Dat geweld de grondslag is van het groepslidmaatschap wordt duidelijk door het wapen dat zij draagt en de pose die zij aanneemt. Er is het anachronisme dat het een vrouwelijke soldaat is. Dat klopt niet met oude culturen, misschien zelfs niet met onze genen. De soldaat is altijd een man. De natuurlijke drager van de voortplanting legt die taak naast zich neer om die van de strijd, typisch een mannelijke bezigheid, op zich te nemen. Deze vrouw draagt een speelgoedbeest. Ieder mens weet dat dit voornamelijk van textiel vervaardigde voorwerp een (niet bestaand) beest verbeeldt en begrijpt ook dat dit denkbeeldige beest voor de soldaat de wellicht belangrijke rol van gezelschap, kameraad, groepsgenoot vervult. De vrouw creëert haar eigen kleine groep, een extra veiligheid. Uit de begeleidende tekst (in de weekendbijlage van NRC/Handelsblad) blijkt dat de vrouw haar wapen WEL en het speelgoedbeest GEEN naam heeft gegeven. De personificatie van het wapen is dus sterker als die van het speelgoedbeest. Het benadrukt de gewelddadigheid van de vrouw.